Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onnozel - (naïef, dom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

onnozel bn. ‘naïef, dom’
Mnl. onnosel ‘onschuldig’ in doe dede al dar pylatus. Gheselen den onnoselen ihesus ‘toen liet Pilatus de onschuldige Jezus daar geselen’ [1285; VMNW], ‘naïef, dom’ in meenich simpel ende onnuzel mensch ‘veel eenvoudige en onwetende mensen’ [1417; MNW], ook van zaken, in onnosel spel ‘(een) onschuldig spel (d.w.z. waarin geen kwaad steekt)’ [ca. 1480; MNW].
Mogelijk een afleiding met het voorvoegsel → on- ‘niet-’ van mnl. nosel ‘schadelijk’ [ca. 1375; MNW nosel], dat is afgeleid van nose ‘ellende, ongemak’ zoals in alle noese es daer verdreuen ‘alle ellende is daar verdreven’ [1265-70; VMNW], met oorspronkelijke betekenis ‘lawaai, rumoer’ zoals in Maecten ... groete noese Ende riepen ‘maakten veel rumoer en riepen ...’ [1290; VMNW]. Problematisch is dat het bn. nosel in tegenstelling tot onnosel zeer weinig voorkwam en pas veel later is geattesteerd. Mogelijk is onnosel ontstaan bij het bijwoord onnoselike ‘onschuldig’, waarin de -l- bij het achtervoegsel hoort, en dat beschouwd kan worden als samenstellende afleiding met → on- en → -lijk van het werkwoord mnl. nosen ‘schaden, leed veroorzaken’ (reeds in de glosse onl. nosada ‘hij hinderde’ [10e eeuw; W.Ps.]).
Het zn. mnl. nose is wrsch. ontleend aan Oudfrans noise ‘lawaai, rumoer’ [ca. 1050; FEW], ‘twist’ [12e eeuw; FEW], dat via een algemene betekenis ‘ongemak, ellende’ (die volgens FEW alleen in het zuidelijke Romaanse taalgebied bestond en dus los moet staan van dezelfde betekenis bij mnl. nose) teruggaat op Latijn nausea ‘zeeziekte’, dat is ontleend aan Grieks nausíā ‘id.’, een afleiding van naũs ‘schip’, zie → nautisch.
De oorspr. betekenis ‘onschuldig’ is nog herkenbaar in onnozele-kinderendag ‘christelijke feestdag op 28 december waarop de moord op de onschuldige jongetjes van Bethlehem wordt herdacht’. Via ‘onwetend’ ontstond de betekenis ‘naïef, dom’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

onnozel [onschuldig, dom] {onnosel [onschuldig, zachtmoedig, onnozel] 1265-1270} van on- + middelnederlands nosel [schadelijk (van dieren)], van nosen [schaden, leed doen], oudnederlands noson, middelnederduits, middelhoogduits nosen, waarvan de afleiding niet vaststaat, mogelijk van oudfrans noise [kabaal, twist] < latijn nausea, nausia [zeeziekte; walging, afkeer] < grieks nausia [zeeziekte], van naus [schip], maar ook latijn nocēre [schaden] komt in aanmerking.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

onnozel

Onnozel behoort tot een woordfamilie die langzamerhand wat is afgezakt. Er was vroeger een woord nozel, dat: schadelijk betekende. On-nozel is dus letterlijk: onschadelijk, onschuldig. In die oorspronkelijke zin spreken wij nog van onnozele kinderen, zowel in het algemeen als met betrekking tot de kinderen die door Herodes om het leven werden gebracht. Maar dan gaat het woord langzamerhand een ongunstige bijbetekenis krijgen. Eerst die van: onbeduidend. Denk maar aan zinnen als: voor dat onnozele eindje hoef je toch je fiets niet te nemen. Dan komt de gedachte erbij: van weinig inzicht getuigend, niet heel snugger. Sta niet zo onnozel te kijken, zeggen wij en we bedoelen: met zo’n domme uitdrukking op je gezicht. Van een onnozel ongeluk in de zin van: een ongeluk waaraan je geen schuld hebt, kan men thans niet meer spreken. Vondel deed dat nog wel.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

onnozel bnw., mnl. onnôsel ‘onschuldig, zachtaardigʼ (vgl. dial. nnl.: brab. antw.) ook nog ‘onschuldigʼ en vgl. Onnozele kinderen), mnd. mhd. unnōsel, owfri. onnōsel. — Behoort bij het ww. mnl. nōsen ‘schaden, hinderen, deren, smartenʼ, mnd. nōsen ‘schaden, hinderenʼ, mhd. nōsen ‘schaden, ergerenʼ, onfrank. nōson ‘verhinderenʼ, daarnaast mnl. nōse v. m. ‘schade, nadeel, ongemak, kwaal, letsel, geraasʼ, mhd. (nederrijns) nōse m. ‘ergernis, schadeʼ.

De etymologie is onzeker. Invloed van fra. noise ‘twist, krakeelʼ (< lat. nausea) kan alleen voor de bet. ‘geraasʼ van mnl. nôse mogelijk zijn. De latitude der bet. in het mnl. vooronderstelt een andere oorsprong. Men zou kunnen uitgaan van een germ. wortel *hnausa-, hnusa- en het dan verbinden met de idg. wt. *ken ‘samendrukken, knijpenʼ, waarvoor zie: nek. Dat een woord als nosen daar semantisch bij zou kunnen behoren, bewijst on. hnekkja, dat ook ‘terugdrijven, belemmerenʼ betekent.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

onnoozel bnw., mnl. (onnōsel) onnôsel “onschuldig, zachtaardig”; dial. (brab. Antw.) nog de bet. “onschuldig”. = mhd. unnôsel, mnd. unnōsel (westf. met üə, umlaut van o), owfri. onnosel “id.”. Op mnl. onnôsel wijzen nnl. dial. vormen; ook de spelling met oo is in overeenstemming met die ô. Het oppositum nosel “schadelijk” komt mnl. ook voor. Sluit zich aan bij mnl. nosen “schaden, hinderen, deren, smarten”, mhd. nôsen “schaden, deren, ergeren”, mnd. nosen “schaden, hinderen”, onfr. noson “impedire”. De afleiding van deze woorden en mnl. nose v. (m.) “schade, nadeel, ongemak, kwaal, letsel, geraas”, mhd. (nederrijnsch) nôse m. “ergernis, schade” uit de woordfamilie van fr. noise “twist, krakeel” (< lat. nausea) is wellicht voor nose ten deele juist. Zouden wij voor onfr. noson enz. niet aan ontl. uit met s gesproken lat. nocêre “schaden”, ’t zij dan uit den lat. of een rom. vorm, denken mogen? Voor de lat.-rom. o kunnen verschillende germ. o-klanken zijn gesubstitueerd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

onnoozel bijv., Mnl. onnosel, van Mnl. nosel: z. nooslijk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

oonnuzel (bn.) onnozel; Vreugmiddelnederlands onnosel <1285>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

onnosel b.nw.
Dom.
Uit Ndl. onnozel (al Mnl.). Die tweede lid van Ndl. onnozel, nl. nozel, beteken in Mnl. 'skadelik'. Uit die afleiding ontwikkel die bet. 'onskuldig', waarna 'sagaardig' en daarna 'sonder kennis van die wêreld en dus maklik om te bedrieg, dom'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

onnosel: gew. “dom”, selde “onskuldig”; Ndl. onno(o)zel (Mnl. en dial. ook nog “onskuldig”, so ook by Kil, maar vRieb se “onnosel aenkeecken” en “op een onnoselen bloet” kan moeilik uitsluitsel oor bet. gee) hou wsk. verb. m. Mnl. nosen, “hinder, skade aandoen”, wat verw. kan wees aan Eng. noise, “lawaai”, Fr. noise, “getwis”, en Lat. nausea, “narigheid”, maar dit kan misk. verb. hou m. Lat. nocēre, “skade aandoen”, en indien wel, dan beantw. onnosel aan Eng. innocent en innocuous.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Onnoozel, van een nu geheel verloren gegaan noozel, boos, kwaad, dat met fra. nuire, lat. nocere wel verwant zal zijn. Uit de bet. niet-slecht kwam die van nog het goed en kwaad niet kennend, onschuldig, eenvoudig, onervaren, niet snugger, in Z.-Ned. zelfs idioot; verg. simpel, en ’t hgd. einfältig. Het werd ook overdrachtelijk gebruikt: een onnoozel (ook simpel) hoedje, een onnoozel dubbeltje; ook iron, een onnoozele duizend gulden.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Onnoozel, ontkenning van ’t Mnl. nozel, dat later uit onze taal verdween en schadelijk bet.; het is afgel. van ’t Mnl. nosen = schaden, hinderen, evenals kregel van krijgen, wankel van wanken, enz. Vgl. ’t Mnl.: („Dit middel zal hem) ghenesen van der nosen” (gebrek, hinder).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

onnozel ‘onschuldig; dom’ -> Duits dialect unnosel, onnosel ‘onnodig, nietsnut; vies of slordig mens’; Petjoh onnoz'l ‘niet al te slim of snugger’; Amerikaans-Engels dialect † onnozel, unnozel ‘dwaas, dom; vreemd, bizar’; Negerhollands onnosel ‘onschuldig; dom’; Sranantongo onowsru ‘onschuldig, dom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

onnozel onschuldig, dom 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut