Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onkel - (oom)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nonkel zn. (BN) ‘oom’
Mnl. onkel ‘oom’ in de toenaam van Joh. Onkel [1267; Beele]; vnnl. in de toenaam van Jan Noncle [1543; Debrabandere 2003]; nnl. nonkel ‘oom’ in nonkel ... smeet ze op strate [1851; WNT zeeveren].
De vorm nonkel is ontstaan uit m'n onkel of den onkel door verkeerde woordscheiding. Onkel is ontleend aan Frans oncle ‘oom’ [ca. 1100; TLF] < Latijn avunculus ‘oom van moederszijde’, letterlijk ‘grootvadertje’, liefkozend verkleinwoord van avus ‘grootvader’, dat verwant is met → oom.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

onkel m., uit Fr. oncle, van Lat. avunculum (-us), eigenlijk = grootvaderszoon, dimin. van avus = grootvader (z. oom).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nonkel, onkel ‘oom’ -> Creools-Portugees (Ceylon) ónquel ‘oom’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut