Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ongeveer - (om en nabij, circa)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ongeveer bw. ‘om en nabij, circa’
Vnnl. onghevaer, onghevaerlick ‘ongeveer’ [1599; Kil.], ongeveerlijcken 2 a 300 lasten ‘ongeveer 200 à 300 lasten’ [1619; WNT aanschepen], ongeveer 400 mijlen [1639; WNT zilverrijk].
Ontleend aan Duits ungefähr ‘ongeveer’, uit ouder ungevēr ‘oprecht, zonder slechte bedoeling’ [15e eeuw; Kluge21]. In oostelijke teksten komt echter al mnl. ongeferlick ‘id.’ [1451; MNW] voor; het Nederlandse woord kan dus ook hieruit zijn overgenomen. Beide gaan in elk geval terug op een vaste voorzetselconstructie die in het Middelhoogduits bekend is als āna gevær(d)e, letterlijk ‘zonder bedrog’ [14e eeuw; Lexer]; hier is het tweede woord hetzelfde woord als → gevaar. Wanneer men niet kon instaan voor de nauwkeurigheid van een specificatie van een hoeveelheid, gaf men “zonder slechte bedoeling” een schatting: zo kon de betekenis ‘ongeveer’ ontstaan.
In het Middelhoogduits bestonden ook vormen met lange -ā- en vormen met het achtervoegsel -līch(e), die overeenkomen met de vormen in het Vroegnieuwnederlands.
Het voorzetsel mhd. āna ‘zonder’ is algemeen Germaans: onl. āna [10e eeuw; W.Ps.] (mnl. ane, aen, alleen oostelijk, en niet meer in het (v)nnl.); os. āno (mnd. ane); ohd. āno, ānu (nhd. ohne); ofri. ōne; on. án < pgm. *ēnu. Daarnaast got. inu < pgm. *enu.
Pgm. enu (de lange klinker in de West- en Noord-Germaanse vorm moet secundair zijn) is verwant met: Latijn sine ‘zonder’; Grieks áneu ‘id.’; Sanskrit sanútar ‘weg, terzijde’; Oudiers sain ‘anders, speciaal’; Tochaars A, B sne, snai ‘zonder’; < pie. *(s)nh1-i, (s)nh1-(e)u (IEW 318). Ook → zonder is verwant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ongeveer [om en nabij] {onghevaer, onghevaerlick 1599} < hoogduits ungefähr, vgl. middelnederlands ongeveerlike [naar iemands beste weten, ten naaste bij], van on- + gevaar, vgl. middelnederlands gevaerde, geve(e)rde [arglistigheid, kwade trouw]; de oorspr. betekenis was ‘zonder gevaar’, dan ‘zonder scherp op te letten, naar beste weten’ en dan ‘ongeveer’. Het lid on is een voorzetsel middelnederlands ane, aen, an [zonder], oudnederlands ana, oudsaksisch, oudhoogduits ano, oudfries oni, oudnoors ōn, ān, en misschien grieks aneu [idem].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ongeveer

Wanneer men bespeurt dat in het oosten des lands en ook in het Gronings van de 16e eeuw het woord ongeveerlick betekende: te goeder trouw, zonder argwaan, ziet men plotseling de verwantschap tussen de woorden ongeveer en gevaar. De ontwikkeling der betekenis is dan geweest: zonder boos opzet, zonder opzet, zonder scherp op te letten, zonder het al te nauw te nemen, ten naastebij gerekend, ongeveer.

Eigenaardig is dat in vroeger tijd ook de vorm ongevaarlijk in zwang was. Breero schrijft: ‘ongevaarlijck den tijdt van thien of twalif jaer’ voor: omstreeks tien of twaalf jaar en ook bij zijn tijdgenoten komt het dikwijls voor. De vorm ongeveer is uit het Duits overgenomen. Het Middelhoogduits had: an (ohne) gevaere, het hedendaagse Duits: ungefähr, maar ongeveer wordt thans geheel als Nederlands gevoeld. Wij gebruiken het woord meestal met betrekking tot hoeveelheden en aantallen (ongeveer drie pond, ongeveer twaalf personen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ongeveer bij w. < nhd. ungefähr > mhd. ān gevær(d)e ‘zonder arglistʼ, vgl. ook oostmnl. āne geverde. Intussen kent reeds Kiliaen onghevaer(lick), dat hij ‘vetus. Sax.ʼ noemt als ‘ongeveerʼ en onghevaerd, onghefaerd (Germ.) ‘bij toevalʼ ; daarnaast zijn te noemen oostmnl. ongheveerlike ‘te goedertrouwʼ, mnd. ungevērlīk, ungevērlīken, mhd. ungeværlīche en men mag dus wel aannemen, dat het nl. woord ook uit oostelijke dialecten kan zijn overgenomen; dan is de bet. ontw. over ‘zonder nauwkeurig acht te gevenʼ > ‘ongeveerʼ. — Het woord bevat als 1ste lid het voorz. mnl. âne, aen, an, onfrank. āna, os. ohd. āno, ofri. ōni, on. ōn, ān ‘zonderʼ, met abl. got. inu, uit idg. *ěneu, waarvoor vgl. gr. áneu ‘zonderʼ, en misschien ook osset. änä (IEW 318); het 2de lid is het woord gevaar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ongeveer bijw., ontl. uit hd. ungefähr > mhd. ân gevære (gew. ân geværde) “zonder arglist”. Evenzoo oostmnl. âne geverde “id.”. Het eerste woord is mnl. âne, aen, an, onfr. âna, ohd. âno (nhd. ohne), os. âno, ofri. ôni, on. ôn, ân “zonder” (ablautend met got. inu ”id.”, gr. áneuver van, zonder”, osset. anä (änä) “zonder” en on-), het tweede is gevaar resp. een afl. van dezelfde basis met d-formans. Kil. vermeldt onghevaer, onghevaerlick met de bet. “ongeveer” als “vetus. Sax.”, onghevaerd, onghefaerd “bij toeval” als “Germ.”. Inderdaad zullen wij behalve aan invloed van het alg.-Hd. ook aan invloed van ndl. diall., die aan ’t du. taalgebied grenzen, mogen denken: vgl. laat-oostmnl. ongheveerlike “te goeder trouw” = mhd. ungeværlîche, mnd. ungevêrlik(en) “id.”. Uit deze bet. ontwikkelde zich eerst de bet. “zonder nauwkeurig acht te geven”, dan “ongeveer”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ongeveer bijw., uit Hgd. ungefähr, ohngefähr, Mhd. án gevæ̂re = zonder achterdocht, zonder opzet, toevallig. Voor ân, z. on-; gevæ̂re is evenals gevaar (z.d.w.) een afleid. van vaar = hinderlaag, list, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ongeveer bw.
Omtrent, naastenby.
Uit Ndl. ongeveer (1599).
Ndl. ongeveer uit D. ongefahr, 'n afleiding met on- 'sonder' van gefahr 'gevaar', dus 'sonder gevaar'. Die bet. ontwikkel verder tot 'sonder om noukeurig op te let', en dan tot die huidige bet.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ongeveer: min of meer, omtrent; Ndl. ongeveer, (ouer ook) ongevaar, albei m. afl. -lijk (OMnl. āne geverde, “sonder listigheid”, by Kil onghevaer(lick), “ongeveer”), hou verb. m. Mnl. aen/an/āne, “sonder”, en ghevaer (vgl. Eng. fear), maar is blb. ontln. aan Hd. ungefähr.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ongeveer (Duits ungefähr)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ongeveer, Mhd. an gevaere, waarin an beantwoordt aan ons on, Hgd. ohne = zonder, en het woord gevaar (z. d. w.) voorkomt in de oude bet. van beloeren, bekijken. Ongeveer wil dus zeggen: zonder vooraf iets bekeken, voorzien te hebben, zonder opzet, bij toeval.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ongeveer ‘bijwoord van hoedanigheid: om en nabij’ -> Fries ûngefear ‘bijwoord van hoedanigheid: om en nabij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ongeveer bijwoord van hoedanigheid: om en nabij 1599 [Claes] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal