Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ongesteld - (menstruerend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ongesteld bn. ‘menstruerend’
Mnl. ongestelt ‘in een slechte toestand verkerend’ [ca. 1400; MNW], ‘van streek’ Na u verlanget my so seer, mijn hertken is so ongestelt, want tis om u, dattet hier quelt [1539; MNW]; nnl. ongesteld ‘licht ziek, onpasselijk’ [1872; Van Dale], ‘menstruerend’ [1961; Van Dale].
Afleiding met het voorvoegsel → on- in de betekenis ‘slecht’ van het verl.deelw. van → stellen in de betekenis ‘in een zekere toestand brengen’.
De oorspr. betekenis is ‘in een slechte toestand verkerend, niet in orde’, volledig vergelijkbaar met de uitdrukking het is slecht met iemand gesteld. Ongesteld was minder ernstig dan ziek. Het gebruik als eufemisme voor ‘menstruerend’ is pas in de 20e eeuw ontstaan. In de overige toepassingen is het woord sindsdien verouderend.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ongesteld* [in lichte mate ziek] {1784-1785, vgl. ongestelt [in een slechte toestand verkerend] 1301-1350} van on- [slecht] + het verl. deelw. van gestellen [stellen, in orde brengen, herstellen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ongesteld bnw., nnl. ongestelt ‘in een slechte toestand verkerend ; niet in orde, van streek; onrustig, in de war; onogelijk, lelijkʼ. — Het overheersen van de bet. ‘in lichte graad ziekʼ kan toe te schrijven zijn aan de invloed van fra. indisposé.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ongesteld bnw. In de tegenw., eerst later-nnl. bet. wellicht een vertaling van fr. indisposé, ongesteldheid znw. van indisposition.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

ongesteld b.nw. (enigsins formeel; slegs t.o.v. mense)
Wat nie heeltemal gesond is nie.
Uit Ndl. ongesteld (al Mnl.) 'in 'n slegte toestand'. Die huidige bet. dateer uit 1784 - 1785 toe dit as vertaling van Fr. indispose gebruik is.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ongesteld ‘beetje ziek’ (bet. van Frans indisposé)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ongesteld ‘in lichte mate ziek; menstruerend’ -> Fries ûngesteld ‘menstruerend’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

klooien [prutsen, stuntelen] (1961). In 1961 verschijnt de achtste druk van het woordenboek van Van Dale onder redactie van C. Kruyskamp. Hij is de eerste die in een woordenboek onder meer de volgende woorden opneemt: afwasmachine, flut, homofiel, klooien, ongesteld (‘menstruerend’), ontiegelijk, optutten, pleuren, schnabbelen, stress, stronteigenwijs en het scheldwoord zak.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ongesteld* in lichte mate ziek 1704 [Hannot&Hoogstraten]

ongesteld* menstruerend 1961 [GVD]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut