Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ongekend - (niet gekend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kennen ww. ‘ergens mee bekend zijn, weten hoe iets is’
Onl. kennen ‘weten’ in dat ik it kende ‘dat ik het zou weten’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. kennen ‘bekend zijn met; erkennen’ [1240; Bern.], met diverse afgeleide betekenissen en betekenisnuances, bijv. ‘officieel vaststellen, gerechtelijk bepalen; toekennen; toegeven, bekennen; vertellen’ en ‘herkennen; ervaring hebben in; beseffen; te weten komen’ [alle reeds 13e eeuw; VMNW].
Os. kennian (mnd. kennen); ohd. -kennen (nhd. kennen); ofri. -kanna, kenna (nfri. kenne); oe. cennan; on. kenna (nzw. känna); got. kannjan; < pgm. *kannjan-, causatief bij een ablautsvorm van de wortel van → kunnen.
gekend bn. ‘bekend, vermaard’. Vnnl. gekend ‘bekend’ in ouer langhen tijt beproeft ende ghekent [1562; Kil. spectatus], ‘vermaard’ in een gunstig gekend schilder [1888; WNT Aanv.], eene gekende sympathieke persoonlijkheid [1906; WNT zeilen I]. Verl.deelw. van kennen, gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, met als betekenis ‘waar men bekend mee is, waar men van weet’. De specifieke betekenis ‘vermaard, zeer algemeen bekend’ komt na de 19e eeuw nog vooral in het BN voor; in de standaardtaal heeft → bekend die betekenis. ♦ ongekend bn. ‘zoals nog niet eerder voorgekomen’. Vnnl. ongekent ‘onbekend’ [1573; Thes.], in 't oor eens van mij ongekenden ‘het oor van een mij onbekende persoon’ [ca. 1790; WNT zelfgevoel], ‘zoals nog niet eerder voorgekomen’ in eenen ongekenden trap van bloei en welvaart [1840; WNT]. Afleiding met → on- van gekend. De letterlijke betekenis ‘onbekend’ is tegenwoordig verouderd.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

ongekend. - Aangezien gekend in plaats van bekend in Zuid-Nederland zoo gewoon is (zie boven), is het niet vreemd dat men vaak ongekend leest, waar ons taaleigen onbekend vereischt: aan beide Nederlandsche woorden beantwoordt het ééne fr. inconnu. Ongekend wordt thans alleen gebruikt in den zin van zoodanig als tot dusverre niet voorkwam, altijd met betrekking tot een graad, eene mate die tot dusverre niet was bereikt, b.v. ongekende kracht, ongekende hevigheid enz. (zie het Wdb. d. Ndl. Taal 11, 1599). || Minstens 2500 ongekende verzen, DE PAUW in Versl. Vl. Ac. 1888, 333. Een jong en ongekend schrijver, ROOSES, Derde Schetsenb. 296. Vele ongekende feiten, SABBE, Vl. Schilderk. XV. De grenspalen van het ongekende, 1. Des meesters ongekende navolgers, 259. De geest van liefde, verzoening en orde, die vroeger op de Oosterhoeve ongekend was, heerschte er nu volkomen, SEGERS, Gelukkig 35. Er is hier beter werk te verrichten dan opzoekingen te doen in bijna ongekende nieuwsblaadjes, WATTEZ in Het Belfort 1895, I, 91.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal