Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onecht - (niet gtrouwd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

echt 2 zn. ‘huwelijk’
Mnl. echte ‘huwelijk’ in dat hi metten rechte ne conste gecomen uter hechte ‘dat hij niet rechtmatig uit het huwelijk kon treden’ [1300-25; MNW-R].
Substantivering van mnl. echt ‘wettig’ (zie → echt 1), dat nu niet meer in deze betekenis bestaat.
Mnd. echt, echte, ofri. afte, efte.
Als zelfstandig woord is echt verouderd. Het komt vrijwel uitsluitend voor in uitdrukkingen als in de echt treden en door de echt verbonden worden. Wel frequent is echt sinds eind 16e eeuw in samenstellingen.
echtgenoot zn. ‘aangetrouwde man’. Vnnl. echtgenoten (mv.) [1631; WNT]. ♦ echtpaar zn. ‘getrouwd paar’. Vnnl. echtpaar [1608; WNT wijnrank]. ♦ echtscheiding zn. ‘huwelijksontbinding’. Vnnl. echt-scheydinge [1599; Kil.], Egt-Scheiding [1675; WNT].

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut