Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onderdaan - (onderworpene)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

onderdaan* [onderworpene] {onderdaen [onderworpen, dan ondergeschikte] 1265-1270, vgl. onderdanech 1236} eig. het verl. deelw. van onderdoen [onder iets plaatsen, onderwerpen].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

onderdaan

Voor de verklaring van het woord onderdaan moeten wij teruggaan naar een werkwoord onderdoen dat de klemtoon op de eerste lettergreep had en dat betekende: onderwerpen, de baas worden. Het voltooide deelwoord luidde: ondergedaan. Daaruit is het bijvoeglijke naamwoord onderdaan ontstaan, dat betekende: onderworpen en dat later is vervangen door onderdanig. Alleen als zelfstandig naamwoord is onderdaan nog in gebruik. Eigenlijk zou men er iedereen mee kunnen aanduiden die zich in de macht van een ander bevindt, maar men bezigt het slechts in de verhouding van volk tot vorst. Schertsend wordt het meervoud onderdanen ook gebruikt voor de benen, die geacht worden ondergeschikt te zijn aan de persoon die zij dragen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

onderdaan znw. m., mnl. onderdaen ‘ondergeschikte, dienaarʼ, mnd. underdān, ohd. untartān (nhd. untertan), eig. het als substantief gebruikte bnw. onderdaen ‘onderworpen, ondergeschikt, onderdanigʼ, dat zelf eig. het verl. deelw. van het ww. mnl. ónder-doen ‘onderwerpenʼ is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

onderdaan znw., mnl. onderdaen m. “ondergeschikte, dienaar”. Mnl. nog zelden als znw. Substantiveering van onderdaen bnw. “onderworpen, ondergeschikt, onderdanig”. Verl. deelw. van mnl. ónder-doen, dat o.a. “onderwerpen” beteekent. Evenzoo ohd. úntartân (nhd. untertan), mnd. underdân van untartúon resp. underdôn “onderwerpen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

onderdaan m., Mnl. onderdaen: voor het tweede lid, z. dusdanig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

onderdaan s.nw.
Iemand wat aan die gesag van 'n regeringsvorm of persoon onderworpe is.
Uit Ndl. onderdaan (al Mnl.). In Mnl. was die woord nog 'n b.nw., eintlik die verlede dw. van onderdoen 'onder iets plaas, onderwerp'.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Onderdaan, eig. ondergedaan, van onderdoen = onderwerpen; vroeger was onderdaan (voor ondergedaan) ook een bijv.nw. (thans onderdanig), bijv. bij Vondel: „En mensch en vee zijn onderdaan aan ’t sterven”.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

onderdaan* onderworpene 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut