Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onbewust - (zonder besef)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bewust bn. ‘bekend (met); besef hebbende van’
Vnnl. in de onpersoonlijke constructie dat is den Vroeden wel bewust ‘dat is bekend aan de wijze persoon’ [1614; WNT]; de vrouwe ..., bewust van hare zaken [1635; WNT], later met zich: de wethouders, zich bewust van voorgange wreedtheit [1642; WNT]; in het verleden ook de nevenvorm bewist [1584; WNT].
Ontleend aan Vroegnieuwhoogduits bewust, verl.deelw. van een inmiddels verdwenen werkwoord bewissen ‘weten’ (nhd. bewusst). Ook in het Hoogduits bestond een oudere bijvorm bewist; de Nederlandse vorm bewist kan echter ook goed het verl.deelw. zijn van een Middelnederlands werkwoord bewissen ‘zich vergewissen’ [1390; MNW], vnnl. ‘bij bewustzijn zijn’ [1534; MNHWS].
Samenstellingen als zelfbewust [1811; Weiland], schuldbewust [1942; Koenen], zijn jongere ontleningen aan resp. Duits selbstbewußt [ca. 1800; Pfeifer], schuldbewußt [18e eeuw; Pfeifer].
onbewust bn. ‘niet wetend, onwillekeurig’. Mnl. onbewist ... ende onvoorsien ‘onverwacht en onvoorzien’, onbewist ende ... niet bemoedende noch wetende ‘onbewust en niet vermoedend of wetend’ [beide 1462-66; MNW onbewist]; vnnl. onbewust, onbewist ‘onverwacht’ [1599; Kil.], onbewust ‘niet wetend’ [1629; WNT]. In de huidige vorm ontleend aan Vroegnieuwhoogduits unbewust ‘niet wetend’, gevormd uit un-, zie → on-, en bewust. ♦ bewustzijn zn. ‘vermogen tot besef’. Nnl. bewustzijn ‘id.’ [1846; S.J.M. van Moock (1846) Nieuw Nederduitsch-Fransch woordenboek, Gouda]. Ontleend aan Duits Bewusstsein ‘id. (filosofische term)’ [1720; Pfeifer], een afleiding van het zn. Bewusst ‘bewustzijn, kennis’ [15e eeuw; Pfeifer], nu verdwenen voorganger van Bewusstsein. ♦ bewusteloos bn. ‘buiten kennis’. Nnl. ‘geen besef hebbend’ [ca. 1800; WNT voelen], ‘buiten bewustzijn’ [1857; WNT zinken III]. Ontleend aan Duits bewusstlos ‘zonder bewustzijn’ [eind 18e eeuw], gevormd uit het zn. Bewusst ‘bewustzijn, kennis’ en -los, zie → -loos.

EWN: bewust bn. 'bekend (met); besef hebbende van' (1614)
ANTEDATERING: somen dit bewust is 'als men hiervan op de hoogte is' [1551; Joris 2, 85r]
EWN: ♦ onbewust bn. 'niet wetend, onwillekeurig'; de vorm onbewust (1599)
ANTEDATERING: onbewust 'onbewust' [1551, Joris 4, 1r]
EWN: ♦ bewustzijn zn. 'vermogen tot besef' (1846)
ANTEDATERING: als of het Bewust zyn het gantsche Weezen der Ziel uitmaakt [1741; Wolff 1, 94]
EWN: ♦ bewusteloos bn. 'buiten kennis' (ca. 1800)
ANTEDATERING: bewusteloos [1796; Drenkelingen, 177]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

verwikkeling [het verwikkelen of verwikkeld-worden, moeilijkheid, geschil] (1831). Het woord verwikkeling wordt voor het eerst genoemd in de Handelingen van de Staten-Generaal uit 1831, waarin sprake is van “staatkundige verwikkelingen”. In 1898 schreef neerlandicus Jan te Winkel in het gedenkboek Eene halve eeuw 1848-1898 over nieuwe uitdrukkingen en woorden in het Nederlands: “Uitdrukkingen, die [Nicolaas] Beets op het Taal- en Letterkundig Congres te Rotterdam in 1865 nog als neologismen belachelijk kon maken, schijnen ons overoud, zooals zelfzucht (voor eigenliefde), het welslagen (voor “de goede uitslag”), verwikkeling (dat omstreeks 1830, maar toen nog slechts in de schrijftaal, is ingevoerd), persoonlijkheid (voor persoon), richting (voor partij), halfheid, enz. Ook adjectieven, als passend (voor gepast), onhoudbaar (voor onverdedigbaar), ongenietbaar (voor “geen genot opleverend”, terwijl het vroeger synoniem was van oneetbaar) en onbewust (voor onmerkbaar of ook voor onopzettelijk). Ook werkwoorden, als vergemakkelijken (voor “gemakkelijker maken”), beheerschen, gelden voor (voor “doorgaan voor”), in ’t leven roepen (voor “maken”), ergens in opgaan, enz. Onder de nieuwe modetermen rangschikte hij toen ook: geen idee van, geen sympathie voor iets hebben.”

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut