Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

onbeschoft - (lomp)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

onbeschoft* [lomp] {1588} etymologie onzeker; men heeft verondersteld dat het is gevormd bij onbeschaafd, maar ook wel dat het bij scheppen [vormen] behoort en eveneens bij schub, vgl. middelnederlands schobben [schuren].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

onbeschoft

De woorden onbeschaafd: waar de schaaf niet overgegaan is en onbehouwen: steen die nog niet behakt is, zijn duidelijker dan onbeschoft dat niet is gevormd van het zelfstandig naamwoord schoft: schouder. Dit woord schoft komt namelijk ook voor in de betekenis: schurk en men neemt aan dat dit en andere woorden met sch- zoals schavuit en schoelje de betekenisverandering van schouder naar schurk hebben beïnvloed. Zo is ook bonk dat eigenlijk betekent: bot, zwaar been geworden tot: zware kerel. Onbeschoft hangt samen met schobben: wrijven en betekent dus: ongewreven, ongepoetst en vandaar: lomp, grof, brutaal. In de Gijsbrecht wordt de Spaarnwouder reus ‘soo onbeschoft als groot’ genoemd. Het werkwoord schobben vindt men terug in schobbejak: iemand die zijn jak schoonwrijven moet omdat er luizen in zitten. Ook schrobben en schrobbering zijn verwant.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

onbeschoft bnw., sedert Kiliaen, die daarnaast ook beschoft noemt met de bet. ‘compositus, decensʼ, vgl. nnd. unbeschuft, ungeschuft. De oude betekenis is ‘wanstaltig, lelijkʼ en daarom wil WNT 10, 1042 het woord verbinden met scheppen en uitgaan van een vorm *onbeschoept, gevormd bij een nomen *schoep, te vergelijken met ohd. scof ‘dichter; verdichtsel, poëzieʼ. Men zou dan moeten uitgaan van een bet. ‘niet gevormd, ruw van vormʼ, vgl. nhd. dial. (beiers) unbeschaffen ‘wanstaltigʼ en mnl. ongescāpen, onghescēpen ‘misvormd, wanstaltigʼ.

Het bezwaar tegen deze verklaring is, dat zij met te veel hypothetische tussenvormen opereert. Daarom is de oude opvatting, dat het woord uit onbeschaafd ontstaan is, nog alle overweging waard. Men moet dan echter niet trachten een min of meer passende klankwettige grondvorm te reconstrueren, maar aannemen, dat het secundair in de uitspraak gewijzigd werd; de doffe o-klank kan gevoeld zijn als te passen bij de betekenis van het woord.

onbeschoft [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 240 [1969].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

onbeschoft bnw., sedert Kil. Een ook ndd. en fri. woord. Sluit zich aan bij schobben; zie schobbejak. Voor de bet. vgl. onbeschaafd bij schaven, benevens het in klank er op lijkende schoft I.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

onbeschoft bijv., Vla. ongeschoeft, Kil. onbeschoft, uit Ndd. unbeschuft, met ablaut bij schaven.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

onbeskof b.nw.
Erg ongemanierd.
Uit Ndl. onbeschoft (1588). Oor die herkoms van Ndl. onbeschoft bestaan onsekerheid. 'n Voorbeeld van beschoft is nog nie gevind nie.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

onbeschoft’ bn., bw., onbeleefd, d.i. in strijd met de wellevendheid. Wij hebben u niet onbeschoft behandeld. Wij hebben telkenmale Oema onder handen genomen (Dobru 1968c: 65). - Etym.: AN o. = lomp, grof, ongemanierd, brutaal.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

onbeskof: ongemanierd; Ndl. onbeschoft (sedert Kil wat ook beschoft aangee), ouer bet. is “lelik, wanstaltig”; WNT soek verb. m. ww. scheppen in bet. ong. “nie mooi geskape nie”, waarteen dVri J NEW 483 beswaar maak en verb. m. beschaafd bepleit; vgl. ook on- hierbo.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

onbeschoft (Nederduits unbeschuft)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Onbeschoft. Een stamwoord beschoft is niet bekend; men houdt dit voor een afl. van scheppen = maken, vormen; dit scheppen werd ook vervoegd: scheppen – schoep – geschapen. Onbeschoept, later onbeschoeft, onbeschoft beteekent dan: niet beschoept, nog niet gevormd, nog zonder vorm, zooals bijv. een onbehouwen steen (zie onbeschaafd) en het Mnl. ongescapen voor: wanstaltig. Uit de letterlijke bet.: „nog zonder vorm” ontstond die van: ruw, onbehouwen, lomp.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

onbeschoft ‘lomp’ -> Ambons-Maleis onbeskoft ‘lomp’; Kupang-Maleis onbeskoft ‘lomp’; Menadonees onbeskoft ‘lomp’; Ternataans-Maleis onbeskoft ‘lomp’; Petjoh ombeskof, onbeschoft ‘onbeschaafd, onopgevoed, brutaal, ongemanierd’; Papiaments ònbeskòp (ouder: onbeschoft) ‘brutaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

onbeschoft lomp 1588 [Kil.] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut