Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

omelet - (eiergerecht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

omelet zn. ‘eiergerecht’
Nnl. omelet ‘eiergerecht’ in gebrek aan eijeren voor de omelet [1824; Weiland].
Ontleend aan Frans omelette [1561; Rey], ontstaan, met a > o- onder invloed van Latijn ovum ‘ei’, uit Middelfrans amelette [1480; Rey], dat op zijn beurt door metathese is ontstaan uit *alemette ‘schijfje, plaatje’, nevenvorm met suffixsubstitutie van alumelle [14e eeuw; Rey], gevormd door verkeerde woordscheiding (la lemelle > l'alemelle) uit lemelle, lamelle ‘schijfje, plaatje’, zie → lamel. De afgeplatte vorm van een omelet komt namelijk overeen met een kleine plaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

omelet [eiergerecht] {1867} < frans omelette < amelette < alumette < alumelle [idem], met verlies van de l, omdat men dacht dat deze het lidwoord was < latijn lamella [dun metaalplaatje], verkleiningsvorm van lamina [dunne plaat, blad, schijf metaal, hout enz.]; zo genoemd vanwege vormgelijkenis. De fr. vorm heeft stellig o.i.v. œuf gestaan (vgl. lamé).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

omelet znw. v., nnl. < fra. omelette, maar in de 17de eeuw amelette < 14de eeuw alumette, alumelle, dat wel op lat. lamella ‘metaalplaatjeʼ zal teruggaan (evenals trouwens ofra. alemelle, nfra. alumelle ‘snede van zwaard, klingʼ).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

omelet znw. Nnl. (en ook in andere talen) ontleend uit fr. omelette, dat uit lamelette, lamulete, demin. van lame (zie lemmet I) wordt verklaard.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ómmelèt (zn.) omelet; < Frans omelette.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

omelet s.nw.
Eier(s) wat eers geklits en daarna soos 'n pannekoek gebak word.
Uit Ndl. omelet (1867).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

omelet: geklitste eiers in dun skyfies gebak; (eers) Nnl. omelet uit Fr. omelette, maar i. d. 17e eeu amelette uit Fr. alumette/alumelle wat verb. hou m. Lat. lamella, “metaalplaatjie”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

omelet (Frans omelette)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

omelet ‘eiergerecht’ -> Papiaments òmelèt ‘eiergerecht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

omelet eiergerecht 1860 [WNT zout I] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut