Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

olijf - (oliehoudende vrucht (Olea europeae))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

olijf zn. ‘oliehoudende vrucht (Olea europeae)’
Mnl. oliue ‘olijfboom’ [1240; Bern.] en ‘vrucht van de olijfboom’ in olie van oliuen ‘olie van olijven, olijfolie’ [1285; VMNW], olijf [1458; MNW-R].
Ontleend aan Latijn olīva ‘olijf, olijfboom’, ontleend aan voor-Grieks *elaíwā (Grieks elaíā) ‘id.’, zie → olie.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

olijf [vrucht van olijfboom] {olive 1201-1250} < frans olive < latijn oliva [olijf (boom en vrucht)] < grieks elaiè [idem] (vgl. olie).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

olijf znw. v., mnl. olîve < lat. olīva > gr. elaía. Het mnl. woord kan ook < fra. olive overgenomen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

olijf znw., mnl. olîve v. = mhd. olîve v. m. (nhd. olive v.) “olijf”. Uit lat. olîva (< gr. élai(w)a) of fr. olive “id.”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

olijf v., Mnl. olive, gelijk Hgd., Eng. en Fr. id., uit Lat. olivam (-a) = 1. olijf, 2. olijfboom, afgel. van olea, uit Gr. elaía = olijfboom. Een ander afleid. is Gr. élaion. Lat. oleum.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

olyf s.nw.
Immergroen boom, of vrug van die boom.
Uit Ndl. olijf (al Mnl.).

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

lijve (DB), zn. v.: olijf. Verkort < olijve, olive. Wellicht te begrijpen uit olie van de lijve < huile d’olive, begrepen als huile de live.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

olijf’ (de, olijven), 1. vruchtboompje met kleine, groene, stervormige bloempjes, ook in de bladoksels, uit Z.O.-Azië (Zizyphus mauritiana, Olijffamilie*). Bedara, (hindostaanse* benaming), olijf, (). Hier olijf genoemd. Matig grote boom met doornachtige, hangende takken (May 12). - 2. vrucht van deze plant (eetbaar). - Etym.: Berust op de gelijkenis van de vrucht met AN o. = vrucht van de Europese olijf(boom) (Olea europea, Melatifamilie*).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

olyf: die kultuurplant (Olea europaea, fam. Oleaceae); Ndl. olijf (Mnl. olive) v. verder olienhout; v. Kloe HGA 329.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

olijf (Latijn oliva)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

olijf ‘vrucht van olijfboom’ -> Japans orēfu, orību ‘vrucht van olijfboom’; Papiaments oleifi ‘vrucht van olijfboom (Olea europea), en heester (Bontia daphnoides)’; Surinaams-Javaans olèf ‘vrucht van olijfboom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

olijf vrucht van olijfboom 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal