Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

olifant - (groot zoogdier (familie Elephantidae))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

olifant zn. ‘groot zoogdier (familie Elephantidae)’
Mnl. olfant [1240; Bern.], meestal olifant, zoals in van olifanten die tande ‘de tanden van olifanten’ [1285; VMNW].
Ontleend aan Oudfrans olifant ‘olifant; ivoor’, de tot in de 15e eeuw overheersende variant van elefant [1121; TLF] (Nieuwfrans éléphant), ontleend aan Latijn elephantus ‘olifant; ivoor’, ontleend aan Grieks eléphas (genitief -antos) ‘olifant; ivoor’, zie → elpenbeen. Het Latijnse woord is ook rechtstreeks geleend, getuige onl. elfandīn ‘ivoren’ [ca. 1100; Will.]. Zie ook → ivoor.
Opvallend is de gelijkenis met enige Germaanse woorden voor ‘kameel’: onl. olfent in van oluendes hare ‘van kamelenhaar’ [1151-1200; Reimbibel]; os. olbundeo; ohd. olbanta, olbenta; oe. olfenda; ozw. ulvalde; got. ulbandus. Verwantschap met het Griekse woord voor ‘olifant’ is echter uiterst twijfelachtig.
Lit.: M. Philippa (1995), ‘Olifant’, in: Onze Taal 64, 281

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

olifant [slurfdier] {ol(i)fant 1201-1250} < oudfrans olifant < latijn elephantem, 4e nv. van elephas, waarnaast elephantus < grieks elephas [ivoor, olifant], een tautologische samenstelling waarvan het eerste lid in het hamitisch elu [olifant] voorkomt (> arabisch fīl, perzisch pīl) en het tweede stamt van egyptisch yb [olifant] (vgl. elp).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

olifant znw. m., mnl. olifant m. ‘olifant, horen van ivoorʼ < fra. olifant, met een niet verklaarde klinkerverandering < lat. elephantus naast elephas. Deze vorm vertoont ook mnl. elephant, elphant, nhd. elefant, ne. elephant. — Zie: elpenbeen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

olifant znw., mnl. olifant m. “olifant, ivoren horen”. Uit ofr. olifant en dit uit lat. elephantus (naast elephas). De begin-o ook in het Kelt.: korn. oliphans “olifant”. De oude bijvorm elefant heeft de e- direct van elephantus of van fr. éléphant. Het Nhd. heeft elefant m., het Eng. elephant. Vgl. elpenbeen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

elefant m., Mnl. id., uit Fr. éléphant van Lat. elephantem (-as): z. olifant en ivoor.

olifant m., Mnl. id. Het woord, onder invloed van elefant gewijzigd uit *olvond, beantwoordt aan Os. olƀundeo, dat met Ohd. olpenta, Ags. olfend en On. ulfaldi, ontleend is aan Go. ulbandus (spr. oelvandoes, uit *ilbandus) = kameel, zelf ontleend aan Lat. elephantus, afgel. van elephas, uit Gr. id. (z. elp). Uit het Germ. komen aan den eenen kant Ofra. en Kelt. (Bret.) olifant aan den anderen kant Osl. welĭbondŭ = kameel, Opr. weloblundis = muildier.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

olifant s.nw.
1. Groot plantetende soogdier wat 'n slurp en twee gekromde tande van ivoor het. 2. Groot oorlogstenk.
In bet. 1 uit Ndl. olifant (al Mnl.). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel, wsk. so genoem omdat die tenk in voorkoms, grootte en sterkte aan 'n olifant herinner.
D. Elefant, Eng. elephant, Fr. elephant. Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1983 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

olifant: diers. (spp. Elephas, fam. Elephantidae); Ndl. olifant (Mnl. olifant as diern. en ook in bet. “ivoor”, naas el(e)phant), Hd. elefant, Eng. elephant, Fr. éléphant as diern. en olifant in bet. “ivoorhoring”, Lat. elephantus/elephas, Gr. elephas en elephant- in ss. v. “dier” en “ivoor”; v. ook ellie.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

olifant: dikkerd. Zie ook kamerolifant*.

Lili stak haar dik, sproetig handje uit, terwijl ze een paar passen nader kwam en Nel dacht: wat een olifant, de kamer dreunt als ze loopt; toch wel een goed kind, geloof ik. (Felicie Jehu, Nel de ontembare, 1905)
‘Ja, Jef zal wel een enorme aanwist zijn. Die logge olifant,’ smaalde Ella. (Cissy van Marxveldt, Een zomerzotheid, 1927)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

olifant (Oudfrans olifant)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

olifant ‘slurfdier’ -> Papiaments olefante (ouder: olifant) ‘slurfdier’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

olifant slurfdier 1240 [Bern.] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1571. Van een mug (of een vlieg) een olifant maken,

d.i. een kleinigheid belachelijk overdrijven (Ndl. Wdb. X, 121; IX, 1194), hetzelfde als van een luis een schildpad maken (Harreb. II, 41); van een veest of een scheet een donderslag maken; vgl. R. Visscher: Weermaecksters van donderende veesten (V. d. Laan II, 99); Schuerm. 581; Antw. Idiot. 1069; Tuinman I, nal. 30; Harreb. I, 143; hd. einen Furz für einen Donnerschlag ansehen); van een vingerlid eene el maken ('t Daghet, XII, 144); eenen donderslag maken van eene neute, die kraakt (De Bo, 749); hy maakt van een strooyen kruis een looden kruis (Tuinman I, nal. 29). De uitdr. komt in de 17de eeuw voor bij Idinau, 292: Ten is gheen kleyn dinck, een peerdt in een wiege: Dat seght-men uyt spot, van sulcke verwaende die een oliphant maecken van een vlieghe; De Brune, 25: Hy maect ons met zijn diep verstand van vliegh of mugh' een olyfant. Zie verder Tuinman I, 231: Zoo maakt men van een splinter een balk, en van een muis een olifant; Halma, 733: Van eene vlieg eenen olifant maaken, eene zaak zeer vergrooten, faire d'une mouche un éléphant; Harreb. II, 107 b; Villiers, 83. Dezelfde uitdr. bestaat ook in het Fransch, het Duitsch, het Engelsch, het Zweedsch, het Deensch en het Italiaansch; hoogstwaarschijnlijk is zij ontleend aan het Grieksch ελεφαντα εκ μυιας ποιειν; zie Wander III, 744 en Otto, 39.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut