Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

olie - (vette vloeistof)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

olie zn. ‘vette vloeistof’
Onl. olig ‘olijfolie’ [10e eeuw; W.Ps.], oley ‘id.’ [ca. 1100; Will.]; mnl. olei, olej ‘olie’ [1240; Bern.], maar meestal olie ‘id.’, zoals in tuintieh scele te olien ene lampte mede te doen berne in de capelle ‘twintig schellingen voor olie om een lamp mee te laten branden in de kapel’ [1278; VMNW], olie laurine ‘laurierolie’, olie rosaet ‘rozenolie’ [beide 1287; VMNW].
Ontleend, via vulgair Latijn *olium, aan Latijn oleum ‘olijfolie’ (< *oleiuom), zelf ontleend aan voor-Grieks *élaiwon (Grieks élaion) ‘olijfolie’, een afleiding van *elaíwā- (Grieks elaíā) ‘olijf, olijfboom’. Dit laatste woord is eveneens door het Latijn ontleend, zie → olijf. Dit Griekse woord is ontleend aan een onbekende, wrsch. mediterrane taal. De in het Oud- en Middelnederlands voorkomende nevenvorm olei gaat terug op de Latijnse vorm oleum.
Evenzo ontleend zijn: os. oli (mnd. ölie, olij); ohd. oli (nhd. Öl); ofri. oli(e) (nfri. oalje); oe. æl (maar ne. oil is ontleend aan het Frans). De precieze ontleningslijn van Gotisch alew ‘olie’ is onduidelijk.
Oorspr. werd olie van olijven gemaakt. Pas vanaf de 12e eeuw wordt ook uit andere zaadsoorten olie verkregen en ging men de verschillende soorten olie onderscheiden m.b.v. samenstellingen. Ook minerale oliën, die in de oudheid reeds bekend waren (zie bijv.nafta), ging men vanaf de 16e eeuw aanduiden met samenstellingen met olie, zie → petroleum.
oliën ww. ‘met olie insmeren’. Mnl. olyen ‘het heilige oliesel toedienen’, gheolijd ‘voorzien van het oliesel’ [beide 1276-1300; VMNW]; nnl. oliën ‘met olie insmeren’ in Zorg vooral dat gij het hout goed oliet [1860; WNT]. Afleiding van olie. ♦ oliesel zn. ‘ziekenzalving, sacrament der stervenden’. Mnl. van den heilighen olijsel ‘over het heilige oliesel’ [1421; MNW], dat heilighe olysel [eind 15e eeuw; MNW]; nnl. oliesel [1855; WNT zijn I]. Afleiding van oliën ‘het oliesel toedienen’ met het achtervoegsel pgm. *-isli. De lange -ī- die daardoor ontstond werd later gediftongeerd. De daaruit ontstane vorm nnl. olijsel, met klemtoon op de tweede lettergreep, is inmiddels verouderd. Onder invloed van de tweede klinker in nnl. olie en oliën ontstond de nevenvorm, en tegenwoordig de gewone vorm oliesel. Het oliesel is een van de zeven sacramenten van de rooms-katholieke kerk. Zie ook doopsel bij → dopen 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

olie [vette vloeistof] {olie, olei 1201-1250, vgl. olig [idem] 901-1000} < latijn oleum [(olijf)olie] < grieks elaion [olijfolie, zalf], van elaiè [olijf (boom en vrucht)], vermoedelijk uit het semitisch, vgl. akkadisch ulû [beste kwaliteit olie]. De oudste vorm olig < middeleeuws latijn ∗olegium. De uitdrukking in de olie zijn [dronken zijn] duidt op een glimmend, vettig gezicht hebben, vgl. vet zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

olie znw. v., mnl. ōlie, ōly m. v. o., os. olig, ohd. oli, olei o. (nhd. öl), ofri. olie, oe. ele m. o. — Sedert de 7de eeuw ontleend < vulg. lat. olium < lat. oleum > gr. élaion. De vormen olei, olig < mlat. *oleium, *olegium. Het woord stamt uit de kerktaal, daar de olie voor sacramenten en de eeuwige lamp gebruikt werd.

De got. vorm alēw, reeds in de 4de eeuw vermeld, past noch tot de lat. noch tot de gr. vorm; misschien illyrische tussentrap? (M. Förster, Der Fluszname Themse 1941, 607). — De samenstelling oliekoek > amer. eng. oly-cook (sedert 1809, vgl. Bense 251).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

olie znw., dial. ook met ȫ, mnl. ōlie, ōly m. v. o., gloss. bern. olei. = ohd. oli, olei o. (nhd. öl), os. olig, ofri. olie, ags. ele m. o. (eng. oil uit ofr. oile) “olie”. Evenals ier. ola, got. alew o. “id.” ontl. uit lat. oleum (uit gr. élai(w)on). Wsch. via het Rom. Uit de geleerde laat-lat. spreektaal zouden wij *oelie verwachten: zie bij foelie en school I; of bij uitspraak *oljum: ndl. *ulle, ags. *yll.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

olie v., Mnl. id., Os. olig, gelijk Hgd. öl, Go. alew en Ofra. oil (waaruit Eng. oil en Nfra. huile), uit Lat. oleum, van Gr. élaion = olie, olijvensap (z. olijf).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

olie s.nw.
Dikkerige en vetterige vloeistof wat o.a. as smeermiddel gebruik word.
Uit Ndl. olie (al Mnl.).
D. Öl, Eng. oil, Fr. huile.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

o’lie (de), (meestal:) petroleum. Weet u, ’die zolder is koud voor u. Soms laat ik die gas espres branden. Je moet het zoveel betalen en dan moet je ook nog olie kopen (Vianen 1973: 68). Bedoeld wordt: De kamerhuur is al hoog en dan kan het geld voor petroleum er niet ook nog af; dus dan maar het gas aan als verwarming. - Etym.: Het gebr. van S olie in E oil is hetzelfde. In AN stemmen slechts enkele gevallen ermee overeen, bijv. olieman = petroleumverkoper.
— : olie ki’napolie (de), een olie die als wormdrank gebruikt wordt. Alle mensen waren blij, dat dokter nie met wormdrankjes was gekomen. Wormmedicijn, om achter je keel te kantelen! Olie-kinapolie! (Cairo 1980c: 263). - Etym.: Het is een vervorming van de farmaceutische naam ’oleum chenopodii’, die betekent: olie van Chenopodium (d.i. ’ganzevoet’, de naam van een aantal kruiden o.m. in Ned.). Het lijkt mogelijk, dat men ook aan ’kina’ denkt. - Syn. kinapolie*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

olie: vetterige vloeistof wat grotendeels uit koolwaterstof bestaan; Ndl. olie (Mnl. ōlie/ōly), Hd. öl, Eng. oil, Fr. huile uit Ll. olium uit Lat. oleum uit Gr. elaion, “olyfolie”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

olie (Latijn olium, oleum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

olie ‘vette vloeistof’ -> Deens olie ‘vette vloeistof’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors olje ‘vette vloeistof’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch oli ‘vette vloeistof’; Javaans dialect oli ‘machineolie’; Madoerees oli ‘machineolie’; Muna oli ‘machineolie’; Negerhollands oli, olie ‘vette vloeistof’; Berbice-Nederlands oli ‘vette vloeistof’; Sranantongo oli ‘vette vloeistof’; Aucaans oli ‘vette vloeistof’; Saramakkaans óli ‘petroleum’ ; Arowaks uli ‘vette vloeistof’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

olie vette vloeistof 1100 [Willeram] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1595. Een goede naam is beter dan olie.

Deze spreuk is ontleend aan Pred. VII, 1: Beter is een goede name dan goede olie. Zie Ndl. Wdb. IX, 1368, alwaar een plaats uit de 17de eeuw wordt aangehaald en vgl. verder Jord. 65: Annemie van Ariestront-an-'t-sweepie.... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg; Harreb. II. 113, waar als variant wordt opgegeven: een goede naam is beter dan geld (of een zilverkraam); Wander III, 872-873.

1051. Hij is kachel,

ook hij is kachelig, hij is dronken; hij is half kachel, (wat) aangeschoten. Zie Köster Henke, 29: kachel, stomdronken; bl. 68: Het was een toffe gooser (een flinke kerel), eigenlijk kachel zagje hem gooit; Sjof. 80: Als de kerels naar d'r werk gingen, dan bleven ze soms hier of daar plakken, kwamme drie kwart kachel an de fabriek; bl. 127: Ja Sien, je ben sikker, je ben kachel; Van Ginneken, Handb. I, 513: kachel, dronken; Ndl. Wdb, VII, 835.

De verklaring dezer zegswijze is onzeker. Misschien moeten we uitgaan van synonieme zegsw. hij is gepoetst (o.a. in Sjof. 9: De meester, die sterk aan den draad trok (dronk), was 's avonds nog al eens gepoetst), waarin ‘gepoetst’ beteekent (glad, glimmend), dronken, dus synoniem van vet en in de olie, die beide voor ‘dronken’ gebruikt worden, naast zoo vet zijn als olie (in Maasgouw, 1914, bl. 8). Het volt. deelw. gepoetst glimmend, glad kon doen denken aan een kachel; vandaar dat dial. voorkomt nog al kachel in den zin van nog al glad, nog al duidelijk, wiedes (V. Schothorst, 148Vgl. voor een dergelijk verschijnsel het hoogd. barg. käse stehen, butter stehen naar aanleiding van schmiere stehen (zie Smeris) en dreckig lachen ontstaan op het voorbeeld van schmutzig lachen (Zeitschr. f. D. Wortf. XIII, 169).). Zoo kon ook kachel gebruikt worden van iemand die glom, en ontstond de uitdr. hij is kachel, hij is gepoetst, vet, in de olie, dronken. Waarschijnlijker is het echter wel, dat niet zoo zeer op het glimmend als wel op het roode gezicht van een beschonkene gelet is. Aanleiding tot deze onderstelling geeft het synonieme hij heb de brand, hij is dronken (Köster Henke, 11; Jord. II, 519) en de kachel aanhebben, dat voorkomt in Het Volk, 5 Mei 1914, p. 5 k. 3: Een glunderend kastelein achter de toonbank en er vóór een die de ‘kachel’ aan heeft en tot zich zelf wat te zeggen heeft.

1660. Olie in het vuur,

d.w.z. in oneigenlijken zin nieuwe brandstof in het vuur der hartstochten, nieuwe opwakkering van driften. Syn. is pik in 't vuur (18de eeuw). Ontleend aan het lat. oleum igni (of camino) addere (Otto, 253); vgl. Sp. Hist. III1, 41, 16; Servilius, 181*: men en zal gheen olye int vier gieten; Sart. bl. 149: oly in 't vier gieten; Roemer Visscher, Sinnep. 3de Schock, 57; De Brune, Bank. II, 399; Ned. Hist. 236; 447; Pers, 534 b; enz. Zie Harrebomée III, 305; Afrik. Dis olie op die vuur; Wander III, 1141 en vgl. fr. jeter de l'huile sur le feu; hd. Oel ins Feuer gieszen; nd. Oelje to'm Für gêten; eng. to add fuel to the fire; that's oil to the fire; fri. oalje yn 't fjúr.

1661. Er is geen olie meer in de lamp,

vooral in toepassing op personen, wier levensgeesten verteerd zijn, hetzij door ouderdom, hetzij door uitputtende losbandigheid; maar ook wel gezegd van eene platte beurs, een ledige flesch, enz.; Ndl. Wdb. X, 113 en vgl. no. 1322. Vgl. voor de 16de eeuw Roode Roos, 82: Daer schuylt vry noch oliken in ons lampe; verder De Brune, 210; 467; Van Effen, Spect. IV, 40; XII, 88; Halma, 386: Daar moet oli, dat is, daar moet geld wezen; Harreb. II, 4. Hiernaast ik heb geen olie meer in de lamp, de flesch is leeg (zie S.M. 95: Zou je nou niet nog 'n beetje olie in de lamp willen doen, 'k heb Toon niet eens meer kunnen inschenken; M.z.A. 184: Anneme.... o ben je daar al.... en op zijn flesch wijzend: 'k heb geen olie meer in de lamp, breng me reis wat te drinken); olie op de lamp doen, d.i. drinken (Uit één pen, 55); zijn lamp van olie voorzien (o.a. Zondagsbl. v.h. Volk, 1905, p. 39: Als de een of ander in Maastricht was geweest en zich daar een hoop nieuws had laten vertellen door de diverse kasteleins, waarbij hij zijn lamp van olie had voorzien); vgl. ook muntolie, geld. In Zuid-Nederland: dat is olie in mijn lamp, dat is koren op mijn molen; daar moet olie wezen, daar moet geld zijn (Harreb. II, 133; Schuermans, 416 a; Bijv. 213; Antw. Idiot. 869; Rutten, 156); daar is geen olie in de lamp, geen geld, geen drank (Antw. Idiot. 1921); fri. oalje yn 'e lampe ha, geld in de beurs of verstand in het hoofd hebben; eng. the light is out, er wordt niet meer geborgd; to get a light at a house, ergens crediet hebben. Syn. is in Zuid-Nederland: er is geen zaad (of peper) meer in 't baksken (Joos, 83). Vgl. fr. il n'y a plus d' huile dans la lampe, zijne krachten zijn uitgeput; remettre de l'huile dans la lampe, iemand weer op kracht doen komen; hd. es ist kein Oel in seiner Lampe mehr; einen auf die Lampe gieszen. drinken; nd. enen up de Lamp gêten oder nehmen (Ten Doornk. Koolm. II, 466); zu viel auf die Lampe gieszen, te veel drinken.

1662. In de olie zijn,

d.w.z. dronken, gepoetst, vet, in de neut (no. 1633) zijn; eig. glimmen, een glimmend gezicht hebben tengevolge van drankmisbruik. Vgl. Harreb. II, 133: mooi vet: hij is in de olie opgekookt, dit is het beeld van den nathalsVgl. Lyste v. Rar. I, 245: Hy heeft een coleur of hy in Tabak en Brandewyn was opgekookt.; III, XCI: hij is zoo vet als olie, hij is dronken; Nkr. III, 9 Mei, p. 2: Ik drink den oranjebitter bij het glas en bij de flesch, alle dagen in de olie; Amst. 96: Die jonge is iedere dag schandalig in de olie; Nest. 75: Die is ook mooi in de olie; Sjof. 27: Hij was een beetje in de olie en dan konje niet voor hem instaan; Op R. en T. 107: Mijn man is ook dikkels in de olie; Panorama, 29 Maart 1922, p. 14: Je was genoeg in de olie, toen je gisteravond thuis kwam. Vgl. oliebol, dronkenmansgezicht, ook oliekop en doorrooker genoemd (Ndl. Wdb. X, 115); glimmend gassie (in Jord. II, 282, tegen een dronkenlap). Zie no. 1051 en 1661.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut