Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

okkernoot - (walnoot (Juglans regia))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

okkernoot zn. ‘walnoot (Juglans regia)’
Mnl. eerst in de vorm nokernote ‘walnoot, walnotenboom’ in nokernoten ‘walnoten’ [1252; MNW], van die noker note ‘over de walnotenboom’ [1287; VMNW], dan ook okernoten ‘walnoten’ [1300-25; MNW-R]; vnnl. oeckernoot, okernoot, walnoot [1599; Kil.].
Door verkeerde woordscheiding (zie → adder) ontstaan uit nokernote, een samenstelling van noker ‘walnotenboom’ [1528; MNW] en → noot 2 ‘harde vrucht’; noker is ontleend aan Laatlatijn nucarius ‘notenboom’, een afleiding van nux ‘noot’, zie → noot 2. Geminatie voor r is verantwoordelijk voor de vorm -kk- en de daaruit volgende korte klinker.
Een vergelijkbare naam voor deze noot komt in de andere Germaanse talen niet voor; daar verschijnen alleen equivalenten van → walnoot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

okkernoot [walnoot] {okernoot 1350, nokernote 1287} tautologische vorming van middeleeuws latijn nucarius, nucerius, nogarius [(okker-, wal)notenboom], van nux (2e nv. nucis) [notenboom, noot]. De n verdween omdat men die aanzag voor de laatste letter van het lidwoord een.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

okkernoot znw. v. dial. zuidnl. okerneute, okelaar, okkeleer, mnl. ōkernōte, ockernōte < nōkernōte, waarvan het 1ste lid nōker (in 1528 vermeld) < lat. nucarius ‘noteboom’, afgeleid van nux ‘noot’. — Zie ook: walnoot.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

okkernoot, okernoot znw., mnl. ōkernōte, ockernōte v. Uit nōkernōte v., een samenst. van nōker (1528; mnl., nog vla., ook nōkerboom m.) + noot I. Nōker gaat op laat-lat. nucârius, een afl. van nux “noot”, terug. Voor den n-afval vgl. adder. Bij (n)ōkernōte kan ook aan dissimilatie worden gedacht. Een synoniem is walnoot.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

okkernoot v., door aphaerese der n uit Mnl. nokernoot, een samenst. met Mnl. noker = noteboom, gelijk Fr. noyer, uit Lat. nucarium (-ius), een afleid. van nux = noot (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

nokkerboom, okkerboom (G), zn. m.: notenboom. Wvl. (n)okerboom. Mnl. noker(boom) 'notenboom', Lat. nucarius, afl. van nux 'noot'. De boomnaam schuilt ook in de dorpsnaam Nokere en in de familienamen Van den Neucker, De Neuker, Neukermans. Ok(k)erboom door metanalyse. Vgl. Ndl. okkernoot < Mnl. nokernote.

oker(e), euker (ZO), zn. m.: notenboom. Zie nokkerboom. Okernoot (W).

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

okkerneut s.nw.
Groterige, ronde eetbare neut.
Uit gewestelike Ndl. ok(k)erneute, 'n wisselvorm van Ndl. okkernoot (al Mnl.). In ouer Mnl. nog nokernoot, met latere verdwyning van die n omdat dit beskou is as die laaste klank van die lidwoord een ''n'. Die eerste lid van die samestelling hou verband met Latyn nux 'neut'. Okkerneut is dus 'n toutologiese samestelling, lett. neut-neut of dubbelneut, so genoem as gevolg van sy twee afsonderlike doppe en die naat tussenin. Vir die tweede lid van die oorspr. samestelling vgl. neut.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

neukere, (metanalytisch) okere noteboom (Zuidoost-Vlaanderen). « romeins *nucarius, afl. van lat. nux ‘noot’ (~ nl. noot).
Teirlinck II 309, meded. G. de Smet.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

nokerboom, nokkerboom (DB), okerboom (GG: Stasegem), oker (DB), zn. m.: notenboom. Mnl. noker(boom) ‘notenboom’. Lat. nucarius, afl. van nux ‘noot’. Vgl. pln. Nokere, FN. Van den Neucker, De Neuker, Neukermans. De varianten met o-anlaut door metanalyse. Vgl. Ndl. okkernoot < Mnl. nokernote.

okerneute (DB), zn. v.: okkernoot. Mnl. okernote, Vroegnnl. okernote ‘noix ou gauque’ (Lambrecht).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

okkerneut: – onkerneut – , vrug- en pln. (spp. Juglans, fam. Juglandaceae); Ndl. ok(k)ernoot, dial. SNdl. okerneute (Mnl. ōker-/ockernōte uit nōkernōte waarvan eerste lid verb. hou m. Fr. noyer (ouer nohier) uit Ll. nuca-/nuce-/noga-/nugerius uit Lat. nux (gen. nucis), “neut”, asook d. tweede lid (v. neut); eint. tout. neut-neut, dubbelneut (met sy twee doppe en naat).

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

okkernoot
Juglans regia L.

In het Middelnederlands heette deze boom okernote of ockernote, namen die een vervorming zijn van nokernote, een samenstelling van noker en noot. Noker is afgeleid van het Laat-latijnse nucarius, dat zelf afgeleid is van het Latijnse nux, dat noot betekent. De noot met de bolster is plantenmorfologisch beschouwd een steenvrucht.

De Okkernoot is afkomstig uit Midden-Azië, kwam in Italië terecht en werd van daaruit over Noord- en West-Europa verspreid. In vroegere tijden was voor de Germanen Italië een vreemd land dat ze Welschland noemden, waarin welsch vreemd betekende. De boom en een vrucht ervan kregen dan de naam Welsche nuss en in hedendaags Duits werd dat Walnuss. In het Vlaamse kruidenboek Den groten Herbarius, in 1514 uitgegeven in Antwerpen, hebben de boom en de vruchten de naam Walsche noten, d.w.z. noten uit Welschland, het vreemde Italië. Uit het Duitse Walnuss ontstond het Nederlandse Walnoot. Tegenover de inlandse hazelnoten stonden de uit het vreemde afkomstige walnoten.

De boom wordt bij ons ook Walnotenboom, Notelaar en Notenboom genoemd.

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

okkernoot (van Latijn nucarius)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Okkernoot (walnoot) staat voor ’t Mnl. nokernoot, waarvan de n afviel, evenals bij arreslede, adder, aak, enz. Noker is ’t Lat. nucarius = noteboom, van nux = noot (vgl. perelaar, rozelaar, enz.). Okkernoot wil dus zeggen: noot van den noteboom; deze dubbelvorm werd niet gevoeld, daar de letterlijke bet. van ’t eerste lid niet meer verstaan werd. Later is ’t woord overvleugeld door walnoot, z. d. w.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

okkernoot ‘walnotenboom’ -> Deens † okkernød ‘walnotenboom’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

okkernoot walnoot 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal