Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ogenblik - (kort moment)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ogenblik zn. ‘kort moment’
Mnl. ‘kort moment’ in in enen oghenblicke [1380-1400; MNW-P], ook letterlijk ‘blik van de ogen’ in haer oversuete oghenblicke ‘haar honingzoete oogopslag’ [ca. 1410; MNW].
Samenstelling van het meervoud van → oog en het zn.blik ‘oogopslag’. De overdrachtelijke betekenis, zoals ook in Duits Augenblick, ontstond naar de korte tijd die men voor het opslaan van de ogen nodig heeft; vergelijk uitdrukkingen als in een oogwenk en Engels in a twinkling (of an eye).
ogenblikkelijk bn. ‘direct’. Mnl. ogenbliclick ‘kortstondig’ [1477; Teuth.]; nnl. heeft hy ogenblikkelik nodig ‘... direct ...’ [1740; WNT twijfelmoedigheid]. Afleiding van ogenblik in de overdrachtelijke betekenis ‘kort moment’ met het achtervoegsel → -lijk.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ogenblik znw. o., mnl. ôghenblic m. v. o., evenals mnd. ōgenblic, nde. øjeblik, nzw. ögonblick < mhd. ougenblic ‘het kijken met de ogen’, maar sedert de 14de eeuw ‘een zeer korte tijd’ (nhd. augenblick). — Gelijksoortige uitdrukkingen zijn nnl. oogwenk en fra. clin d’oeil.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oogenblik znw. o., mnl. m. v. o. Een ook in andere talen voorkomende samenst.: in ’t Mnl. wellicht onder du. invloed opgekomen. Buiten ’t Germ. vgl. o.a. fr. clin d’œil.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

ougenblik (zn.) ogenblik; Middelnederlands oghenblicke <1380-1400> < Duits Augenblick.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oomblik s.nw.
1. Baie kort tydjie. 2. Tydstip. 3. Geleentheid wat belangrik of geskik vir 'n bepaalde optrede is.
Uit Ndl. volkstaal oomblik (1638). Ndl. ogenblik (al Mnl.) is 'n samestelling van ogen 'oë' en blik. Deur assimilasie is die n van ogenblik in die volkstaal, o.a. ook by Bredero (Boshoff - Nienaber 1967), verander tot m. Met verdere wegval van die intervokaliese g ontstaan oomblik.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

oomblik: kort tydjie; Ndl. o(o)genblik, ook oogblik (Mnl. ōghenblic, in 17e-eeuse volkst. oomblik (bv. by Bredero) en allerlei dial. vorme), Hd. augenblick; v. ook blik I.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ogenblik (Duits Augenblick)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ogenblik ‘zeer korte tijdruimte, moment’ -> Deens øjeblik ‘zeer korte tijdruimte, moment’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors øyeblikk ‘zeer korte tijdruimte, moment’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ögonblick ‘zeer korte tijdruimte, moment’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands oogenblik ‘zeer korte tijdruimte, moment’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ogenblik zeer korte tijdruimte 1517 [WNT raadkamer] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut