Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oen - (scheldwoord: sufferd)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

oen: (vnl. jeugdtaal) onbeduidend sujet; stuk onbenul; stommerd. Etymologie onduidelijk. Het WNT geeft al een vindplaats uit 1631. Een afleiding is: oenig (onbenullig, waardeloos). Bijvoorbeeld bij Remco Campert (Tjeempie! of Liesje in luiletterland, 1968): ‘Wat een uil ben ik toch! Oehoe, wat oenig van me!’, en bij Marga Minco (De andere kant, 1962, tweede druk): ‘Die oenige gordijnen, en dat tafeltje, ontzettend’. Ook oeneballerig en oeneballerigheid werden opgetekend. Oen wordt ook opgenomen door Salleveldt (1978). Ook Wolkers gebruikte het in ‘De Walgvogel’, hetgeen erop wijst dat dit woord vooral in de soldatentaal erg populair was. Zie ook: oekeloen*; oenkoekel*.

Oenen en debielen in blauwe bleekgesleten misdaadkleding met grote waterhoofden en waterige puilogen die met dierlijke kreten de wedstrijd volgden. (Jan Wolkers, De Walgvogel, 1974)
Nee, als het om Hermans gaat, dan wordt er door de redaktie van de VARA-gids ‘het een of ander oen’ ingehuurd, dat mag komen uitleggen dat Hermans rechts is en dat Hermans daarom geen televisiespelen kan schrijven. Bob Kaindl heet ‘dat oen’ en razend is hij. (Het Parool, 01/02/1975)
Nou ging die sufferd, die oen, zichzelf aangeven bij de vreemdelingenpolitie! (Marjan Berk, Rook in de ribben, 1987)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oen scheldwoord: sufferd 1612 [Aanv WNT] <?

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut