Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oehoe - (grote uilensoort (Bubo bubo))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

oehoe zn. ‘grote uilensoort (Bubo bubo)’
Vnnl. huhu ‘oehoe’ in Een soorte van eenen grooten uyl ofte een vogel die des nachts vliegt, anders een Huhu genaemt [1637; Statenbijbel, noot bij Schuyfuyt in Leviticus 11:17]; nnl. uhu [1809; WNT], oehoe [1896; WNT h].
Wrsch. ontleend aan Duits Uhu ‘oehoe’ [1523; Kluge21], een door Luther in de schrijftaal ingevoerde regionale naam. Het is een klanknabootsend woord naar de roep van deze vogel.
Vergelijkbare klanknabootsende woorden voor de ‘oehoe’ zijn: mhd. ūve, hūwe; oe. ūf; on. úfr; en buiten het Germaans o.a. Latijn būbō (Spaans búho) en Frans hibou.
Eerder stond de vogel bekend onder de naam schuifuit: mnl. schofut [1240; Bern.]; vnnl. ein schufuyt [1515; Murmellius]; nnl. Schuifuit [1762; Houttuyn I, 4, 183]. Deze naam is een volksetymologische vervorming van Frans chouette ‘uil’.
De officiële naam van de oehoe is Europese oehoe. Andere, in West-Europa niet-inheemse soorten uit het geslacht Bubo worden nader aangeduid, bijv. Amerikaanse oehoe.
Lit.: Eigenhuis 2004

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oehoe* [uil] {1901-1925} hoogduits Uhu, evenals latijn bubo, grieks buas, armeens bu klanknabootsend gevormd.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Amerikaanse Oehoe Bubo virginianus (Gmelin) 1788. Amerikaanse tegenhanger van de Oehoe. Een exemplaar van deze soort heeft enkele jaren verblijf gehouden (in wilde staat) in het landgoed ‘Waterland’ te Velzen, maar het is mogelijk dat dit een ontsnapte vogel betrof (Kieft 1980, DB). [Eck & Busse 1977 p.100]

Oehoe Bubo bubo (Linnaeus: Strix) 1758 (1) Deze grote Uilensoort werd in 1973 voor het eerst met zekerheid in N vastgesteld. De naam zal daarom niet N van oorsprong zijn. D Uhu en N/fries Oehoe bootsen de roep van deze Uil na. Te verwachten valt dat de naam uit D Uhu is overgenomen. Inderdaad geeft Schlegel 1858 daarvoor een aanwijzing, omdat hij in een korte bespreking van de europese, maar niet-N vogelsoorten de naam Oehoe nog niet noemt, maar wel naar de D naam verwijst (p.70): “De ‘Groote hoornuilen’ (Bubo). Veelal aanzienlijk grooter dan onze Ooruil, maar de ooropening klein. Onder deze behoort de Uhu der Duitschers, Bubo maximus, over de twee voet lang, die zelfs in Westphalen, maar nog niet in ons land aangetroffen werd.” Houttuyn 1762 geeft voor Linnaeus’ Strix Bubo de N naam Schuifuit (↑, ook voor de etymologie): “... deeze Soort, dien wy Schuifuit noemen, voert [in ’t Fransch] den naam van grand Duc of grooten Hertog.” F Grand-duc d’Europe [CAF 1997], waarbij de ‘oren’ misschien in verband gebracht werden met de couronne ducale (‘hertogskroon’, met veren erop) [Wilms 970807; C&C p.99].
(2) Oehoe: “ooruil of ransuil (Bubo ignarus)” [vD 1961/1970]. Mogelijk een misapplicatie.
Zie voor de etymologie onder Uil en Schuifuit.

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

OEHOEBubo bubo
Duits Uhu
Engels Eagle Owl
Frans Grand-duc d’Europe
Fries Oehoe
Betekenis wetenschappelijke naam: Boeboe (klanknabootsing). Evenals de wetenschappelijke benaming is de Nederlandse naam een onomatopee. Al vele jaren geleden werd ons land te klein voor de ‘koning der duisternis’. De enorme uil (70 cm) wordt hier thans uiterst zelden gezien. Ook in de rest van Europa is de Oehoe zeldzaam geworden. Vooral door bejaging en de vangst van levende (jonge) vogels is de populatie sterk verminderd. Gevangen Oehoe’s werden vroeger ingezet bij de jacht op kraaien en roofvogels. De uil werd hiertoe aan een paal geketend. Door het spektakel dat de Oehoe daarbij maakte, werden kraaien en roofvogels naderbij gelokt en vormden zo een gemakkelijke prooi voor jagers die zich dichtbij schuil hielden in een zogenaamde ‘kraaienhut’. De Oehoe wordt door zijn indrukwekkende voorkomen, de fel oranje ogen en opvallende oorpluimen met recht Grote Hertog genoemd, een adellijke titel die is afgeleid van z’n Franse naam. Zie bij Ransuil: Middelste Hertog. In Vlaanderen heet hij Arendsuil. Enkele andere namen zijn Schuifuil en Schuivik (zie omtrent deze namen bij de Ransuil).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oehoe ‘uilachtige’ -> Indonesisch uhu ‘uilachtige’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oehoe uilachtige 1809 [WNT uhu] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut