Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

oefenen - (door herhaling bekwaam maken of worden)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

oefenen ww. ‘door herhaling leren’
Middelnederlands ufenen (1265–70) ‘(beroep, godsdienst) uitoefenen; (land) bewerken; zich inspannen’, Vroegnieuwned. oeffenen ‘zich voortdurend bezighouden met, uitoefenen’, vanaf eind 18e eeuw ook met de huidige betekenis ‘door herhaling een vaardigheid (doen) leren’. Oefenen gaat op Oudnederlands *ōvnan terug: bij het contact tussen v en n op een morfeemgrens werd de v een stemloze f (vergelijk erven – erfenis, even – effenen). Daarnaast bestaat de eenlettergrepige stam oev- die hetzelfde betekent: Mnl. uven (1240, Limburg), sporadisch ook oeven in later eeuwen, bijv. ghehouft ‘bewerkt’ (1533), modern Drents euven ‘hinderen’.
Verwante vormen van oefenen: Oudfries ōvenia, ōvonia, ōfnia ‘uitvoeren, volvoeren’ (Modern Fries oefenje is aan het Nederlands ontleend), uit Proto-Germaans *ōbnjan-. Verwanten van oeven: Mnd. ōven ‘bedrijven, bewerken; plagen’, Oudsaksisch ōƀian ‘een feestdag vieren’, Mhd. üeben, uoben, Ohd. uoben ‘uitvoeren, uitoefenen, vieren’, Mohd. üben ‘oefenen’, uit PGm. *ōbjan- ‘bewerken, uitvoeren’.
De wortel *ōb- ‘werk’ zit ook in Ohd. uoba ‘feest’ (*ōb-ō-), uobo ‘boer’, OS land-ōƀo ‘inwoner’ (*ōb-an-). Het is een ablautvariant van *af- ‘werk’, verwant met Latijn opus, Skt. ápas- ‘werk’ uit Proto-Indo-Europees *h3ep- ‘werk’. Mogelijk gaat *ōb terug op een oorspronkelijke werkwoordsvorm van deze wortel, bijv. een PIE perfectum *h3e-h3p-. Het wijder verspreide *ōbjan is een regelmatig causatief bij *ōb, maar het beperkt verspreide *ōbnjan lijkt eerder een denominale afleiding van WGm. *ōb-n- ‘bewerker’. Het Germaans kent ook nog het ww. *abnjan- (Oudengels efnan, Oudnoors efna ‘doen, volvoeren’), mogelijk afgeleid van een (in het Germaans niet geattesteerd) zn. *af-n- uit PIE *h3ep-n- (vgl. Skt. ápnas- ‘bezit’, Het. happina- ‘rijk’).
[Gepubliceerd op 09-04-2015 op Neerlandistiek.nl]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

oefenen* [door herhaling bekwaam maken] {1265-1270} oudengels efnan, oudfries ofnia, iteratief bij middelnederlands oeven [oefenen], bij Kiliaan uven {1599} oudsaksisch oƀian, oudhoogduits uoban, deens öve, zweeds öva [idem]; buiten het germ. latijn opus [werk], operari [werkzaam zijn, bezig zijn met], oudindisch apas- [werk].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

oefenen

Oefenen is een zogenaamd frequentatief, d.w.z. een werkwoord dat een herhaalde handeling uitdrukt. Zo is bibberen een frequentatief van beven, trippelen van trappen, schuifelen van schuiven en oefenen van oeven dat nog voortleeft in Duits üben. Oefenen is oorspronkelijk: zich herhaaldelijk of voortdurend met iets bezighouden en speciaal met de akkerbouw. Men zei: die eerde, den acker oefenen. Later gold dit ook van een bedrijf, een beroep, een handwerk. Thans gebruikt men daarvoor beoefenen of uitoefenen. Ook van macht en gezag wordt gezegd dat ze geoefend worden en nog zegt men: je moet geduld oefenen en geen wraak oefenen. Ook in het woord godsdienstoefening schuilt deze betekenis. De frequentatieve betekenis treedt meer op de voorgrond in het huidige gebruik. Oefenen is nu immers: bekwaam maken door herhaling. Men oefent zijn spieren of zijn verstandelijke vermogens door ze veel te gebruiken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

oefenen ww., mnl. oefenen ‘oefenen, beoefenen, bewerken, eer bewijzen (aan een god), verzorgen, gebruiken’, mnd. ôfnen, offenen, ôfenen ‘beoefenen, vereren’, ofri. ōfnia, ōvonia, ōvenia ‘beoefenen, uitvoeren’, afgeleid van een stam *ōƀn-, die abl. staat naast oe. efnan, æfnan, on. efna ‘doen, volvoeren’. — De stam *aƀn: ōƀn is een afl. van de stam *aƀ: ōƀ, waarvan de rekkingstrap voorkomt in mnl. (limb.) oeven, ‘beoefenen’, os. ōƀian ‘vieren, verzorgen’, ohd. uoben ‘beoefenen, vereren’ (nhd. üben) en in os. land-ōƀo ‘inwoner’, ohd. uoba v. ‘feestviering’, uobo m. ‘landbouwer’. — lat. opus ‘werk, arbeid’, Ops ‘godin van de oogstzegen’, gr. ómpnē v. ‘voeding, koren’, oi. ápas- ‘werk’, âpas- ‘werk, religieuze handeling’, apnas- o. ‘opbrengst, bezit’ (IEW 780).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

oefenen ww., mnl. oefenen “oefenen, beoefenen, bewerken, (een god) eer bewijzen, verzorgen, gebruiken”. Oefenen gaat op oefnen terug, de f is door verscherping onmiddellijk vóór de n ontstaan. = mnd. ôfnen, ôf(f)enen “beoefenen, vereeren”, ofri. ôfnia, ôvonia, ôvenia “beoefenen, uitvoeren”. Wsch. een denominativum van den nominaalstam *ôƀn-. Hiernaast: 1. zonder n: mnl. (limb.), Teuth. oeven (Limb. Serm. ufen, uffen) “beoefenen, zich oefenen in”, ohd. uoben “id., vereeren” (nhd. üben), os. ôƀian “vieren, verzorgen”, 2. met ablaut: ags. efnan, æfnan “doen, volvoeren”, on. efna “id.”. De lang-vocalische vormen sluiten zich aan bij ohd. uoba v. “feestviering”, uobo m. “landbouwer”, os. land-ôƀo m. “incola”. Van de idg. basis ō̆p-, waarvan ook lat. opus “werk”, oi. ápas- “id., religieuze handeling”, ā́pas- “religieuze handeling”. ’t Is onzeker, of deze basis oorspr. identisch is met die van lat. ops “macht, rijkdom, hulp”, lit. ãpstas “overvloed, voorraad”, oi. ápnas- “opbrengst, bezit” (waarbij men nog wel ier. âne “rijkdom”, gr. ómpnē “id., bezit, levensonderhoud, koren, veldvruchten” brengt). Ags. afol o. “kracht”, on. afl o. “kracht, strijdkrachten”, ø̂fr “geweldig, hevig” kunnen bij beide woordgroepen hooren; wsch. bij oefenen: vgl. on. afla “uitvoeren, verwerven”, ohd. avalôn “veel te doen hebben, druk werken”. Got. abrs “sterk”, on. afar “zeer, in hooge mate” worden door sommigen ook met oefenen gecombineerd, door eenigen ook got. aba m. “man, echtgenoot”, on. afi m. “man, grootvader”: mogelijk, maar onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

oefenen o.w., Mnl. id. + Ofri. ófnia, óvenia en met ablaut Ags. efnan, On. efna: uit *oefnen voor *oevnen (met verscherpte v vóór n: vergel. loochenen, twijfelen), frequent. van *oeven, Mnl. oeven, Os. ôƀian + Ohd. uoben (Mhd. üeben, Nhd. üben), + Skr. apas, Lat. opus = werk: Idg. wrt. op (z. ook wrevel).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

oefen ww.
1. Vaardig word deur iets te herhaal. 2. Fiks word deur fisieke inspanning.
Uit Ndl. oefenen (al Mnl.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Oefenen (Os. obean) van den Germ. wt. ob = uitoefenen, verrichten, vooral landbouwwerkzaamheden: „Adam soude die eerde oefenen” (= bebouwen); „Noe (Noach) wert een ackerman ende begonste dat land te oeffenen”. Verder ook van godsdienstige handelingen; vandaar nog: openbare „oefeningen” en „oefenaar” = voorgangen in godsdienstige bijeenkomsten. De Idg. wt. is op = werken (ook: godsdienstige handelingen verrichten); vgl. ’t Lat. opus = werk en operari = offeren. Zie ook Opperen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

oefenen ‘door herhaling bekwaam maken of worden’ -> Deens øve ‘door herhaling bekwaam maken of worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds öva ‘door herhaling bekwaam maken of worden’ (uit Nederlands of Nederduits); Sranantongo ufen ‘door herhaling bekwaam maken of worden’; Surinaams-Javaans ufen ‘oefenen, trainen, gymnastiek doen’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

oefenen* door herhaling bekwaam maken of worden 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal