Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nurks - (knorrig, nors)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nurks bn. ‘knorrig, nors’
Nnl. nurks ‘knorrig, nors, lomp’ in Jaapie is nurks, en als Jaapie eens nurks is, dan blijft Jaapie nurks [1841; WNT].
Afleiding met bijvoeglijke → -s van nurk ‘knorrig, kwaadaardig persoon’ < vnnl. als een regte nurck, staen pruylen in den hoek [1620; iWNT nurk]. Dit woord hoort bij het werkwoord nurcken ‘knorren, morren’ [1634; iWNT nurken], dat een intensiverende afleiding is van norren ‘id.’ [1477; Teuth.] (Middelnederduits nurren), zoals → snurken bij ouder snorren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nurks* [knorrig] {1841} van nurk [knorrig iemand] {1620} of van nurken, intensivum van norren (waaruit nors), klanknabootsend gevormd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nurks bnw., eerst na Kiliaen, afgeleid van nurk (dial. nork) ‘brompot, nurken, brommen’, vgl. mnl. norke ‘nors’ en Kiliaen norck ‘streng, halsstarrig’ en nnl. nurken, oostfri. nurken, nürken ‘knorren, kibbelen’. Evenals schurken naast schuren staat nurken naast mnd. nurren ‘knorren’ (zie ook: neuriën en nors) — Alles typische klankwoorden, waartoe ook nog snorken behoort.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nurksch bnw., nog niet bij Kil. Van een van de beide niet algemeen-ndl. woorden nurk, dial. nork “brompot”, nurken “brommen”. Mnl. al norke “norsch”, bijw. van Kil. norck “praefractus, cervicosus”. Nnl. nurken, oostfri. nurken, nürken “knorren, kibbelen” naast mnd. nurren “knorren” (zie nors) is een formatie als snorken. Kil. norck enz. is bezwaarlijk een jongere, naast Kil. orck, als znw. nog zuidndl. dial. (: Antw. hörk), opgekomen vorm.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

nurks b.nw.
Knorrig, nors.
Uit Ndl. nurks (1841), 'n afleiding van die s.nw. nurk (1620) 'knorrige persoon' of van die ww. nurken (1634) 'knor, mor'. Nurken is die intensiewe vorm van norren 'knor, grom', oorspr. klanknabootsend gevorm.
Vgl. nors.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nurks: (i. Afr. i. ’n mate boekw.), “brommerig,, knorrig”; Ndl. nurks(ch) (nog nie by Ki] nie), afl. v. nurk, dial. nork, “brompot”, blb. verb. m. ww. nurken, “kibbel, knor”.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nurk, nurks: iemand die voortdurend knort; brompot. Soms ook voor een wreedaard.

… en ge zoudt wel een Nurks moeten zijn, om ze weg te jagen. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 15/09/1913)
Uw ervaringen hebben u dus niet tot een Nurks gemaakt? (Jan Mens, De kleine waarheid (1967)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Norsch, nurksch van norren, nurken = knorren, brommen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nurks ‘knorrig’ ->? Duits dialect nurksch ‘knorrig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nurks* knorrig 1841 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut