Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nulliteit - (nietigheid, ongeldigheid)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nulliteit [nietigheid, ongeldigheid] {1582} < frans nullité < middeleeuws latijn nullitatem, 4e nv. van nullitas [het niets zijn, waardeloosheid, ongeldigheid], van nullus (vgl. nul).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nul, nulliteit: iemand zonder betekenis, die niets weet; waardeloos persoon. Ook in het Frans: nul; nullard.

Zij las toen een kwaad artikeltje tegen haar zwager, de minister van koloniën, persoonlijke aanvallen tegen Van Naghel: een grote gewichtige nulliteit, rijk geworden als advocaat in Indië in een duistere praktijk met Chinezen, voortgeschopt in zijn carrière door een nog grotere, gewichtige nulliteit, zijn schoonvader, de oud-gouverneur-generaal ‘Van Leeuwen’. (Louis Couperus, De boeken der kleine zielen, 1901-1903)
Eerlijk gezegd, Pinkelman, ik ben een nul. (Godfried Bomans, De avonturen van tante Pollewop, 1958)
Vader is een hypocriet. Vader is een nul. (Annie M.G. Schmidt, Op een mooie Pinksterdag, 1965)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal