Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nul - (0); (nietsnut)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nul telw. ‘0’; zn. ‘nietsnut’
Mnl. nul (bn.) ‘nietig, ongeldig’ in nul ende van geenre weerden ‘nietig en waardeloos (verklaard)’ [ca. 1424; MNW]; vnnl. nul (telw.) ‘0’ [1508; Kool], nul ‘nietig’ in nul ende van onweerden ‘nietig en zonder waarde’ [1548; Stall.]; nnl. nul zn. ‘persoon van weinig invloed of betekenis’ in ik, zo een nul in de schepping [1784; WNT].
Ontleend, via Oudfrans nulle of Italiaans nulla ‘niets, van weinig waarde’, aan Latijn nūllus ‘id.’, gevormd uit het partikel ne ‘niet, geen’ en ūllus ‘iets, enige’, verkleinwoord van ūnus ‘één’, verwant met → een.
Nul is het woord waarmee het getalteken 0 wordt aangeduid, en tevens het mathematische begrip “niets, nul”, dat vóór de 15e eeuw in Noord-Europa in rekenkundige zin niet werd gehanteerd en dat samen met het begrip “negatieve getallen” door de Italiaanse grondleggers van het boekhouden en bankieren in de 13e eeuw van de Arabieren was overgenomen. De Arabieren op hun beurt hadden het begrip “nul” en ook het getalteken 0, evenals de andere negen getaltekens, aan de Indiërs ontleend. Zie ook → cijfer. De betekenis ‘persoon van weinig betekenis’ is ontstaan als verkorting van de uitdrukking hij is maar een nulletje in 't cijffer [1717; Marin NF].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nul [nihil] {nulla [nul] 1508, nul 1568, vgl. nul [nietig] <1282>} < italiaans nulla. De middelnl. vorm < oudfrans nul [geen, waardeloos] < latijn nullus [geen, onbetekenend, waardeloos], samengetrokken van ontkennend ne (vgl. neen) + ullus [enig]. Voor de uitdrukking hij heeft nul op het rekest gekregen [zijn verzoek is afgewezen] vgl. Kiliaan nihil op de requeste geven. Nul is hier vertaald uit latijn nihil [niets]. De uitdrukking dat is van nul en gener waarde [dat is waardeloos] luidde in het middelnederlands nul en van geenre waarde [nietig en waardeloos]. In de 17e eeuw komen de oude en de huidige vorm naast elkaar voor → cijfer.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nul telw., znw. nog niet bij Kiliaen, maar reeds in het begin der 16de eeuw nhd. null < ital. nulla, dat sedert 1484 het teken voor het begrip niets aanduidt. — Afgeleid van lat. nullus ‘niemand’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nul znw., nog niet bij Kil. Uit ofr. nulle of it. nullo (< lat. nullus). Mnl. reeds het bnw. (bijw.) nul in nul ende van geenre weerden e.dgl.; wellicht direct uit ’t Lat. Ook elders ontleend.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nul s.nw.
1. Die syfer 0. 2. Iemand wat niksbeduidend is.
Uit Ndl. nul (1641 in bet. 1, 1784 - 1785 in bet. 2). Ndl. nul is al Mnl., maar dan as 'n b.nw. in die bet. 'nietig', uit Oudfrans nul 'waardeloos'. As telw. is Ndl. nul 'n latere ontlening (1508) uit It. nulla. Die oudste sitaat in WNT as s.nw. is 1641.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nul, nulliteit: iemand zonder betekenis, die niets weet; waardeloos persoon. Ook in het Frans: nul; nullard.

Zij las toen een kwaad artikeltje tegen haar zwager, de minister van koloniën, persoonlijke aanvallen tegen Van Naghel: een grote gewichtige nulliteit, rijk geworden als advocaat in Indië in een duistere praktijk met Chinezen, voortgeschopt in zijn carrière door een nog grotere, gewichtige nulliteit, zijn schoonvader, de oud-gouverneur-generaal ‘Van Leeuwen’. (Louis Couperus, De boeken der kleine zielen, 1901-1903)
Eerlijk gezegd, Pinkelman, ik ben een nul. (Godfried Bomans, De avonturen van tante Pollewop, 1958)
Vader is een hypocriet. Vader is een nul. (Annie M.G. Schmidt, Op een mooie Pinksterdag, 1965)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nul (Italiaans nulla); (van -- en gener(lei) waarde) (Oudfrans nul)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Nul (< Lat. nulla figura = geen cijfer; nullus = geen; figura = i.h.a. gedaante, in de M. E. gebruikelijk voor cijfer).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nul ‘telwoord’ -> Indonesisch nol, enol ‘telwoord; zonder enig resultaat’; Ambons-Maleis nol ‘telwoord’; Atjehnees nòl ‘telwoord’; Boeginees nôlo ‘telwoord’; Jakartaans-Maleis nol ‘nul, leeg, zonder resultaat’; Javaans enul, nul; nol ‘telwoord’; Kupang-Maleis nol ‘telwoord’; Madoerees ēnnol, nol ‘telwoord’; Makassaars nôlo, nôló ‘telwoord’; Menadonees nol ‘telwoord’; Muna nolu ‘telwoord’; Nias nuli ‘telwoord’; Soendanees ĕnol ‘telwoord’; Ternataans-Maleis nol ‘telwoord’; Javindo nul ‘telwoord’; Papiaments nulo ‘persoon zonder betekenis; (verouderd) telwoord’; Sranantongo nùl ‘telwoord’; Surinaams-Javaans nel ‘telwoord’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

nul. Het getal nul is een late vondst. Tot de dertiende eeuw gebruikte men in Europa de Romeinse cijfers (i, v, x, etc.). De Ara­bieren, die van 711 tot 1504 delen van Spanje bezetten en die in de middeleeuwen op het gebied van de geneeskunst, wis- en natuurkunde en sterrenkunde een voorsprong bezaten ten opzichte van de Europese wetenschappers, hebben in Europa de Arabische cijfers (1, 2,... 10, 20,... 100, 200,...) ingevoerd. Het voordeel van deze cijfers was dat er veel gemakkelijker wiskundige bewerkingen mee konden worden gedaan: als men de cijfers onder elkaar zet, komen automatisch eenheden, tientallen, honderdtallen, etc. op dezelfde positie te staan. Hierdoor kan men bij het optellen of aftrekken van getallen telkens de eenheden, tientallen en honderdtallen et cetera apart optellen of aftrekken, waardoor het rekenen veel eenvoudiger wordt. Het teken dat aangaf dat een bepaalde positie in een getal (een eenheid, tiental etc.) leeg was, heette in het Arabisch ṣifr 'leeg' {zetter: s met punt eronder!}. Dit is een letterlijke vertaling van Sanskriet śūnya 'de lege', namelijk de lege kolom op het rekenbord. Het Arabische woord ṣifr {zetter: s met punt eronder!} werd in het Latijn vertaald door nulla 'niets', wat in het Italiaans ging betekenen 'nul, het cijfer 0'. Het Nederlands leende het telwoord nul in 1508 uit het Italiaans.

Omdat het begrip 'nul' uit het Sanskriet stamt en het Indonesisch van oudsher invloed heeft ondergaan uit het Sanskriet, dat immers in India en ook daarbuiten de taal was en is van religieuze (boed­dhistische en brahmanistische), literaire en wetenschappelijke teksten, wekt het verbazing dat het Indonesisch het woord nul ontleend heeft aan het Nederlands. In het Indonesisch luidt dit nol, gezien de spelling ontleend aan de gesproken taal en niet aan de schrijftaal (dan zou het nul zijn geweest, zoals in het Javaans); zo kan men zeggen tiga-nol 'drie-nul' of nol koma lima '0,5'. 'Hij is een grote nul' is dia orang yang nol besar - duidelijk een leenvertaling uit het Nederlands. Andere hoofdtelwoorden (behalve dozijn en gros, wat bijzondere eenheden zijn) zijn niet door het Indonesisch geleend. Kennelijk is het begrip 'nul' door de Nederlanders en de Nederlandse scholen bekend geworden. In de Indonesische spreektaal wordt grappig genoeg het woord nol momenteel steeds vaker vervangen door kosong, dat 'leeg' betekent; zo zegt men bij het uitspreken van telefoonnummers bijvoorbeeld kosong kosong nem satu ('nul nul zes een') in plaats van nol nol nem satu. Daarnaast gebruikt men ook vaak zéro, dat, ondanks de Nederlandse uitspraak, uit het Engels moet komen.

Ook in het Sranantongo is nul geleend als nùl, naast noti van Engels nothing (zie verder drie). In het Papiaments wordt voor het getal sero gebruikt; daarnaast komt nulo voor, maar dit betekent uitsluitend 'persoon zonder betekenis': ta un nulo a la iskierda betekent 'een grote nul zijn'.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nul telwoord 1508 [Kool] <Italiaans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

nul (verkorting van nuldejaars), aspirant-lid van een studentencorps; noviet.

In de grootste ruimte van het Gulden Huys zijn alle ‘nullen’ zoals de ‘foeten’ tegenwoordig heten, bijeen. (Carolijn Visser: Alle dagen vrij, 1984)
De geüniformeerde leden maakten het met hun exercities en het afknijpen van eerstejaars, de ‘nullen’, zelfs voor de geliefde studentenvereniging Minerva te bont. (Trouw, 03/04/98)
Tijmen Visser, net als Reinout een achttienjarige ‘nul’ of ‘foet’ zoals de eerstejaars worden aangeduid, krijgt op die vrijdagavond te horen dat hij is toegelaten tot het corpshuis. (Nieuwe Revu, 26/08/98)
op de — spelen; de — vasthouden, bij het voetbal: alleen maar verdedigen; ervoor zorgen dat men geen doelpunt tegen krijgt.
We moeten voetballen tegen landen, die spelen op de ‘nul’ en een optimaal rendement uit weinig treffers proberen te halen. (Trouw, 03/02/90)
In zo’n wedstrijd wil je helemaal goed spelen en de nul vasthouden. (Nieuwe Revu, 15/08/91)
In de catacomben sprak de coach van Prof-voetbal CS: ‘Het was zaak om achter de nul vast te houden.’ (HP/De Tijd, 10/10/97)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1653. Hij is een nul in het cijfer,

d.w.z. hij beteekent niets, wordt bij de optelling niet medegerekend, heeft niets in te brengen, is niet in tel; Afrik. hij is maar 'n groot nul. Vroeger zeide men ook een oo(tje) in het cijfer zijn, dat thans nog in Zuid-Nederland gebruikt wordt naast een nul in 't cijfer zijn en geteld worden gelijk 'n o in 't cijferen; zie Antw. Idiot. 484; 865 en vgl. De gelyke Twélingen. (anno 1677): Jy bent maar een ootje in 't syffer, je geldt 'er niet, manTijdschrift VIII, 102.; Hooft, Ned. Hist. 846: Hy diende hun voor een o in 't syfer. Voor andere plaatsen zie Ndl. Wdb. XI, 230 en vgl. Tuinman I, 355; Halma, 384: Hij is maar eene nul in cyffer, il n'est qu'un o en chiffre, il n'a point d'autorité du tout; Harreb. I, 108. Ook hij is een nul vóór het cijfer (in Uit één Pen, 8), een nul voor het decimaal (in De Arbeid, 14 Febr. 1914, p. 1 k. 1) of eenvoudig een nul (18de eeuw). Zie Ndl. Wdb. IX, 2210. In het fr. c'est un zêro en chiffre; hd. eine Null sein; eng. to be a mere cipher.

1655. Nul op het request krijgen (-geven),

d.w.z. een weigerend antwoord ontvangen op een verzoekschrift; het tegengestelde van bon op 't request krijgen. Vgl. Kil. 852: Nihil op de requeste geven, postulatori abscindere spem impetrandi; Sartorius III, 7, 38: nihil op 't request; en de Verm. Avant. I, 240: Nogtans wierd ik met menigvuldige brieven van hem ontrust, ofschoon hy gedurig nihil op 't request bekwam. Zie ook Tuinman I, 80; 170; Ndl. Wdb. IX, 2211. Nul is derhalve de vertaling van het lat. nihil (niets).

1654. Van het jaar nul,

d.w.z. van geen waarde, zonder beteekenis; eig. thuis behoorend in een tijd toen er nog geen tijdrekenig was, in een ‘onmogelijk ver’ verleden. De zegsw. dateert uit de 19de eeuw; zie Harreb. I, 171: Het is er één van het jaar nul; V. Deyssel, Verz. Opst. IV, 306: Dichters en prozaïsten, koud en akelig van het jaar nul; Nest. 32: Al was het me dan ook een klant van het jaar nul; Falkl. IV, 113: Moppen van 't jaar nul; Nw. School, II, 180: Hij maakt door z'n streven om volledig te zijn ‘opmerkingen’ van 't jaar nul; Afrik. in die jaar nul, nooit; Ndl. Wdb. VII, 22; IX, 2209; eng. of the year one.

1656. Van nul en geener waarde.

Deze uitdrukking luidde oorspr. nul en van geenre waardeMnl. Wdb. IV, 257., waarnaast door Kiliaen, 852 vermeld wordt: Nul ende van onweerdenVgl. R.v. Utr. 2, 355, 3: So sal de citatie voir nul ende van onweerden geacht worden; Despars I, 359: Omme die voorn. ghifte nul, negheen, ende van onweerde te makene; Handv. v. Amst. 211 b: Soodanighe verkoopinghen zijn nul, krachteloos ende van onwaerde; Pamfl. Muller, 3934, bl. 10 r: Keuren ende ordonnatien te maecken dat die nul zijn daer Deeckens ende gemeene Neringen niet over hebben gestaen. Zie ook Stallaert II, 296 b en Ndl. Wdb. X, 2188., frivolus, irritus. In de 17de eeuw komen de vroegere en de tegenwoordige vorm naast elkander voor; in de Gew. Weeuw. III, 67: Nul en van geender waarden; Brederoo I, 34, 664: Voor nul en geender waarde achten; Rusting, 480: De wacht is nul, van geener waarden; Spaan, 40: nul en van geener waarde; V. Janus, 308: Voor nul en onwaarde verklaren. Nog andere voorbeelden in Ndl. Wdb. IX, 2211; Afrik. van nul en geen waarde; Waasch Idiot. 462 b: van nul en geender weerde, waarin nul de beteekenis heeft van nietig, krachteloos. Hiernaast: een bluf van nul komma zes (V. Ginneken II, 175). Vgl. ook Ppl. 32: De medam is ook van nul komma nul. Vgl. fr. c'est nul et d'aucune valeur; hd. das ist null und nichtig; eng. that is null and voidVoor het gebruik van een uitheemsch woord in verbinding met een eigen woord zie Salverda de Grave, De Franse woorden in het Nederlands, bl. 30; Tijdschr. XXIII, 25..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut