Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nuchter - (niets gegeten of gedronken hebbend; niet-dronken; kalm, realistisch)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nuchter bn. ‘niets gegeten of gedronken hebbend; niet-dronken; kalm, realistisch’
Mnl. nuchterne ‘met lege maag, nog niets gegeten hebbend’, enugterne ‘niet gedronken hebbend, sober’ [beide 1240; Bern.], dese salmer eten ... smorgens en ogteren ‘deze moet men er eten 's ochtends op de nuchtere maag’ [1280-90; VMNW], ‘onbeschonken, matig in het gebruik van bedwelmende dranken’ in dat ghi altoes werct sonder murmereren ende nuchterne ‘dat u altijd zonder mopperen en nuchter werkt’ [1340-60; MNW-P], Dat si nuchter ende sober sijn Ende altoes sparen den wijn [1340-60; MNW-R]; vnnl. nuchter ‘kalm, ingetogen, realistisch’ [ca. 1620; iWNT], de nuchtere stemmigheit, in 't historyschrijven vereischt [1630; iWNT]; nnl. Dat nuchter gezond verstand [1868; iWNT].
Ontleend, misschien via het Middelhoog- of Middelnederduits (zie de vormen hieronder), aan middeleeuws Latijn nocturnus ‘'s nachts’ (gesubstantiveerd ook ‘nachtelijke gebedsdienst’), met volksetymologische klankaanpassing aan het woord → ochtend. In het Duits was het oorspr. een kloosterwoord, dat betrekking had op de vroegste kerkdienst, nog voordat de eerste maaltijd werd genuttigd. Buiten die context kreeg het woord ook een algemenere betekenis en werd het het antoniem van dronken. Uit deze laatstgenoemde betekenis ontstond vervolgens ‘kalm, ingetogen, realistisch’. Deze betekenisuitbreiding vond ook in het Duits plaats.
Mnd. nuchtern, nochtern; ohd. nuohtarnīn [ca. 1000; Pfeifer] (met volksetymologische invloed van ohd. ūhta, uohta ‘ochtend’), nuohturn [10e/11e eeuw; Pfeifer] (mhd. nüehtern, nhd. nüchtern); nfri. nochteren, nofteren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nuchter [niets gegeten of gedronken hebbend] {nuchteren, nochteren 1201-1250} middelnederduits nuchterne, nochterne, oudhoogduits nuohturn, mogelijk < latijn nocturnus [nachtelijk] (vgl. nocturne).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

nuchter

Nuchter betekent: met een lege maag, niet gegeten of gedronken hebbend, maar ook: niet onder de invloed van alcohol, niet beneveld en vandaar in gunstige zin: kalm, welberaden, helder onderscheidend en in minder gunstige zin: zonder enige verbeeldingskracht, ontdaan van alle dichterlijkheid, onnozel zelfs.

Nuchter is een woord waarvan de verklaring nogal wat moeilijkheden oplevert. Vondel en Hooft gebruiken het woord soms zodanig dat men moet aannemen dat zij verwantschap aanwezig achtten tussen nuchter en uchtend. Vondel spreekt van de nuchtere morgendauw, Hooft van de nuchtere zon. Etymologisch echter hebben nuchter en uchtend niets met elkaar te maken, evenmin als nuchter en het Latijnse nocturnus dat: nachtelijk betekent. Wel kan met nuchter het Griekse werkwoord nèfo: ik ben nuchter, worden vergeleken maar voorts zijn buiten het Germaans geen familieleden aan te wijzen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nuchter bnw., mnl. nuchteren (nochteren, noechteren, nuechteren), nuchterne, mnd. nuchterne, nuchter, nochterne, nochtern, ohd. nuohturn, nuohtarnin (nhd. nüchtern). — Daar het woord ± 1000 plotseling optreedt, is het wel aan te nemen, dat het een woord uit de kloostertaal is en dan ligt een afl. van lat. nocturnus ‘nachtelijk’ voor de hand. Weliswaar vormt daartegen een bezwaar de klankvorm van het ohd. woord met uo en h, maar misschien mag men denken aan een beïnvloeding door uohta ‘morgenschemering’ (Kluge-Mitzka 515).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nuchteren bnw., mnl. nuchteren, (nochteren, noechteren, nuechteren), nuchterne. = ohd. nuohturn, nuohtarnîn (nhd. nüchtern), mnd. nuchtern(e), nochtern(e) “nuchter”. De eenvoudigste en beste etymologie gaat van idg. nâqh-t- uit en vergelijkt gr. nḗphō “ik ben nuchter”, arm. nautʿi “nuchter” (hierbij ier. nâr “bescheiden”?). Dat germ. *nôxturna- een vrddhi-vorm bij nacht zou zijn, is minder aannemelijk, nog minder de afl. uit lat. nocturnus. Gloss. bern. enugterne “nuchter” bewijst niet, dat nuchter uit en (= in of aan) + *uchte (zie ochtend) is gevormd: veeleer berust deze mnl. bijvorm op volksetymologie.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nuchter. Gloss. bern. enugterne zal wel û < ô hebben: vgl. maastr. neuchter met umlaut van ô.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nuchter bijv., Mnl. nuchteren + Ohd. nuohtarnîn (Mhd. nüchtern, Nhd. id.) + Gr. nḗphein = nuchter zijn, Arm. nawthi = nuchter: Idg. wrt. nāɡh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neuchter (bn.) nuchter; Vreugmiddelnederlands nuchterne <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nugter b.nw.
1. Nie dronk nie. 2. Kalm en verstandig. 3. Helder wakker.
Uit Ndl. nuchter (al Mnl.).
Oorspr. verband met Latyn nocturnus 'nagtelik' word aan gedink.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nugter: nog nie geëet nie (vgl. nugter maag), nie dronk nie; besadig, kalm; Ndl. nuchter (Mnl. no(e)chteren/nu(e)chteren), Hd. nüchtern, verb. m. Lat. nocturnus, “nagtelik” (by nox (gen. noctis) “nag”); by verbg. nugter weet is gedink aan bet. “onskuldig, onkundig”, d.w.s. ’n onkundige sal dit wel weet, d.w.s niemand nie, maar Frank (TE 36) dink aan “verbloeming of vermomming” (volkset.?) v. Ndl. nikker, “duiwel” en vgl. Ndl. “Dat mag Joost, de drommel, de duivel weten”.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nuchter (Latijn nocturnus)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Nuchter, nog niets gebruikt hebbend, geen voedsel of drank; overdrachtelijk, ook voor naïef, onnoozel, onbevooroordeeld, zonder opwinding of hooger streven: hij hoopte op die erfenis, maar is er nuchter van gebleven; nuchter de zaken bekijken; een nuchter gezicht. Mnl. nuchteren. Wel afgeleid van uchtend, ochtend; de n zou dan ontstaan zijn uit een voorvoegsel in (verg. naarstig, nevens), doch dit berust waarsch. op volksetymologie; verwante vormen komen in ’t germ. voor, en verwant kan ook zijn het grie. nêpho = nuchter zijn. Nuchter speeksel = sp. van iemand die nog niets gebruikt heeft ’s morgens; nuchter kalf, kalf dat nog niet gezogen heeft, ook overdrachtelijk gebruikt.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nuchter, verwant met uchtend, ochtend (z. d. w.); het bet. dan: in-uchtend (vgl. ’t Lat. matutinus = nuchter, eig.: in den ochtend). Vgl. ’t Mnl.: „Nuchtens omtrent prime” = ’s ochtends omtrent het morgengebed. Zie ook: Weg; Naarstig; Nijver; Noest.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nuchter ‘niets gegeten of gedronken hebbend’ -> Zweeds nykter ‘niets gegeten of gedronken hebbend’ (uit Nederlands of Nederduits).

nuchter ‘sober, kalm beraden, koel zakelijk’ -> Indonesisch nukhter ‘sober, kalm beraden, koel zakelijk’; Negerhollands nuchtern ‘sober, kalm beraden, koel zakelijk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nuchter niets gegeten of gedronken hebbend 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1652. Nuchter(en) blijven van iets,

d.w.z. iets niet krijgen, zijn mond kunnen afvegen (zie Ndl. Wdb. I, 1741), ergens geen aandeel in hebben, iemands neus voorbij gaan. In de 17de eeuw nuchter zijn van iets, geen deel hebben aan iets, eig. er niet van proeven. Thans uitsluitend ‘nuchter blijven van iets’; o.a. Amst. 74: Als jelui zoo dringen en duwen, blijf jelui allemaal nuchter van de boel; Jong. 236: Pas op jij met je rooie kanes (hoofd), als je de anderen trapt, blijf je d'r nuchteren van; Landl. 195; 208; Krat. 103; M.z.A. 16; P.K. 116; S.M. 58; Nkr. VI, 21 Dec. p. 4: De Rotterdamsche tonnemaat brengt stuwadoor en reeder baat, maar onze stoere havenman, die blijft er lekker nuchter van; Het Volk, 6 Mei 1914, p. 6 k. 3: Rechtsche kandidaten aanwijzen, daar blijft hij nuchter van. Daar wordt door anderen voor gezorgd; Op R. en T. 119: Als ik niet casuweel d'r op ankom, gappe ze me een heel mandje blauwe druiven weg - maar 'k snapte ze en nou blijven ze d'r lekker nuchter van; Molema, 282: hij blift 'r nöchtern van, dat gelukje gaat hem voorbij, hij krijgt er niets van; Gallée, 31: daor blieev i nüchteren bi, dat gaat uw neus voorbij; fri. dêr bliuwstou nochteren fen; Ndl. Wdb. IX, 2203; voor Zuid-Nederland vgl. Loquela, 346: nuchter, weteloos: ‘Zijn goed gaat verkocht zijn en hij is er nog nuchter van.’

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut