Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nu - (op dit moment); (aangezien)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nu, nou bw. ‘op dit moment’; vgw. ‘aangezien’
Onl. nu ‘op dit moment’ (bw.) in ende nu kununga fornemt ‘en nu, koningen, begrijpt’, untes nu ‘tot nu toe’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], uu[at] unbida[t] g[h]e nu ‘wat verwacht u nu?’ [11e eeuw; CG II-1, 130]; mnl. nu (bw.) [1220-40; CG II], als vgw. in mer nuo it [ug] allen is so lief ‘maar aangezien het jullie allen zo behaagt’ [1201-25; CG II], nou als bw. in nou ende immermeer ‘nu en altijd’ [1313; Stall. II, 242], nou wilic jou gaen scriven ‘nu wil ik je gaan schrijven’ [1351; MNW-P]; vnnl. maer nou is hy ouwt en doof ‘maar nu is hij oud en doof’ [1617; WNT], hoe hebben wy 't nou? (uitspraak van ontstemming) [1616; WNT]; nnl. als tussenwerpsel nou zy weet allerbest waer of ‘nou, zij weet het allerbest waarom’ [1714; WNT].
Os. (mnd. nu); ohd. , nu (nhd. nun); ofri. (nfri. no); oe. (ne. now); on. (nzw. nu); got. nu; < pgm. *nu.
Latijn nu- in nudius tertius ‘eergisteren’, nunc ‘nu, echter’; Grieks nu, nũn; Sanskrit ; Avestisch ‘nu’; Litouws nū~n; Oudkerkslavisch ‘slechts’, nyně ‘nu’ (Russisch nýneí ‘thans’); Hittitisch Inu; alle ‘nu’, in sommige talen ook ‘slechts; juist; e.d.’, < pie. *nu, *nū ‘nu’ (IEW 770). Zie ook → nieuw.
De van oorsprong Brabantse vorm nou is in een groot deel van het Noord-Nederlandse taalgebied de gewone vorm in de volkstaal geworden; in geschreven teksten hield men echter nog tot ver in de 20e eeuw vast aan de vorm nu, behalve in weergave van de spreektaal. Wanneer en in welke mate de bijbehorende spellinguitspraak zich heeft verspreid, is niet na te gaan; in elk geval bestaat er tegenwoordig in het gesproken en informeel geschreven NN een tamelijk scherpe differentiatie in het gebruik van nu en nou: men gebruikt nu als tijdsbepaling en als voegwoord ‘aangezien’, en nou in de meeste andere, zeer uiteenlopende gevallen, waarbij het tijdsbegrip op de achtergrond geraakt is of geheel is verdwenen.
Lit.: S. van As (1992), ‘Nu en nou: één woord, twee stijlen’, in: E.C. Schermer-Vermeer e.a. (red.), De kunst van de grammatica, Amsterdam, 1-14; Van der Sijs 2004: 195

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nou* [op het ogenblik] {1401-1500} nevenvorm van nu.

nu* [op het ogenblik] {901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries, oudengels, gotisch nu, oudnoors ; buiten het germ. latijn nunc, grieks nu(n), oudiers nu-, no- (voorvoegsel onvoltooid verleden tijd) litouws nūnai, oudkerkslavisch nyně, oudindisch nu, verwant met nieuw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nou dialectische uitspraak van nu, waarschijnlijk ontstaan voor klinkers uit een vorm (w).

nu bijw., mnl. , onfrank. os. ohd. (nhd. nun, nu), ofri. oe. (ne. now), on. , got. . — oi. nu, gr. , lit. en verder: oi. nūnam, gr. nũn, lat. nunc, osl. nynĕ. — Zie ook: nieuw en nog.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nu bijw., mnl. . = onfr., ohd. nū̆ (nhd. nun, nu), os., ofri., ags. nū̆ (eng. now), on. , got. nu “nu”. = ier. nu-, no- verbaalprefix, lat. nu (in nudiûs tertius “’t is nu de derde dag”), gr. (nún, nūn) “nu”, obg. ny-ně, lit. , oi. nū̆ʹ “id.”. Een idg. verwant hiervan is nieuw, een germ. afl. wsch. nog. Mnl. komt ook al evenals nû dat als voegw. voor (nnl. nu id.).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nu. In een groot deel van Noord-Nederland, o.a. Holland, behoort nu niet tot de volkstaal, die alleen de reeds mnl. (ook zuidndl. niet onbekende) nevenvorm nou kent met ou < wgerm. û(w) aan het woordeinde (wsch. in de eerste plaats voor vocaal ontwikkeld); nu is de literaire vorm, die inheems is in het Z.-W. van het ndl. taalgebied (o.a. Wvla.), waar wgerm. û wel tot ü̑ gepalataliseerd, maar niet gediphthongeerd is.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nu bijw., Mnl. id., Onfra. en Os. nu + Ohd. id. (Mhd. en Nhd. id.nun is een adverb. afleid.), Ags. nu en (Eng. now uit ), Ofri. nu, On. (Zw. en De. nu), Go. nu + Skr. nu, Gr. , nũn, Lat. nu-n-c, Oier. no, Osl. nyně, Lit. : z. nieuw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

noe (bijw.) nu; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) nou, Aajdnederlands nu <901-1000>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1nou bw.
1. Op hierdie oomblik. 2. Op 'n sekere oomblik, in ons tyd.
Uit gewestelike Ndl. nou (al Mnl.). Veral in N.Nederland, o.a. Holland, is nou die gewone vorm, terwyl nu die formele vorm is.

nou-nou bw.
Binne enkele oomblikke, of enkele oomblikke gelede.
Reduplikasie van nou (1nou).

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

non nu (Scheveningen, Drente). = hgd. nun ~ nu.
Roeleveld 118, Kocks 800.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nou I: dadelik; tans; Ndl. nu (Mnl. ), in sprt. en dial. is nou gew.; i. Afr. nog nu o.a. in nu en dan naas nou en dan, maar gew. net nou, Hd. nu(n), Eng. now, verb. m. Lat. nunc, Gr. nu(n).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nu ‘Griekse letter n’ (Grieks nu); (het --) (Middelhoogduits daz nū)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nieuw: vermoedelijk verwant met het Idg. nu = nu, thans; nieuw is dus: van thans, wat thans ontstaat. (Vgl. de volkstaal nuuw.)

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nou, nu ‘tussenwerpsel’ -> Petjoh ai-nou ‘tussenwerpsel: toe, vooruit nou’; Negerhollands noe, nou, nu ‘tussenwerpsel’; Berbice-Nederlands nau ‘tussenwerpsel’; Skepi-Nederlands nou ‘tussenwerpsel’; Surinaams-Javaans na ‘(geeft nadruk) toch’.

nu ‘op het ogenblik’ -> Ambons-Maleis nau ‘voegwoord: en toen’; Negerhollands nue, nu, noe, nou ‘op het ogenblik’; Skepi-Nederlands nou ‘op het ogenblik’; Sranantongo nownow ‘op het ogenblik’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

nou. In het verleden heeft het Nederlandse bijwoord en tussenwerpsel nou in het Ambonees de functie van voegwoord gekregen. Althans volgens de Nederlandse onderwijzer F.P.H. Prick van Wely, die in 1906 in Neerlands Taal in 't verre Oosten hierover schreef (in de oude spelling):

naoe, waarschijnlijk ons 'nu', doch door den Ambonees veelvuldig gebruikt als voegwoord, zooals het 'en toen' bij ons; bijv.: 'naoe beta pergi per dya, maoe tanja itoe perkara', 'naoe beta datang di dya bilang par beta', enz.

De voorbeeldzinnen moeten worden vertaald als 'En toen ging ik naar hem toe om hem dat te vragen', respectievelijk 'En toen ik bij hem kwam, zei hij tegen mij...' In de moderne lijst van Nederlandse leenwoorden in het Ambonees van Don van Minde staat alleen nog de Ambonese vorm no vermeld, die als tussenwerpsel 'nou' wordt gebruikt. Ook in het Indonesisch is geen spoor te vinden van een voegwoord nau.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nou* bijwoord van tijd: op het ogenblik 1401-1500 [MNW]

nu* bijwoord van tijd: op het ogenblik 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut