Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

notulen - (beknopt verslag van een vergadering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

notulen zn. ‘beknopt verslag van een vergadering’
Mnl. notele, notule, notel ‘schriftelijk bewijsstuk’ in als die notel inhelt ‘zoals de akte inhoudt’ [1352; MNW], brieve off notulen ‘brieven of schriftelijke bewijsstukken’ [voor 1423; MNW]; vnnl. notele ‘korte aantekening’ in notelen, of anteyckeningen in tcort [1592; WNT], alleen in het meervoud notulen ‘beknopt verslag van een vergadering’ in d'acten oft notulen vanden hove [1558; Stall.], notulen vander proceduren [1570; Stall.], hadden ... notulen laeten aentekenen [1651; WNT].
Ontleend, gezien de datering wrsch. niet via Frans notule ‘korte aantekening, annotatie’ [1495; TLF], aan Laatlatijn notula ‘kleine aantekening’, verkleinwoord van nota ‘merkteken, letterteken; aantekening’, zie → nota.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

notulen [aantekeningen van vergadering] {notelen 1592} < frans notule [korte aantekening] < latijn notula [klein teken, me. lat. ook: muzieknoot, minuut van een notaris], van nota (vgl. noot1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

notulen znw. mv. ‘aantekeningen van het in een vergadering behandelde’, mnl. notele, notule, notel ‘schriftelijk bewijsstuk, oorkonde’ < mlat. notula.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† notulen znw., mv., van mnl. notel(e), notule v. ‘brief, oorkonde’ < mlat. notula, dat ook in het Mnd. Mhd. is ontleend. De tegenwoordige bet. sedert de 17e eeuw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

notule: aant. v. verrigtings v. vergaderings; Ndl. notulen (Mnl. notel/notele/notule) uit Ll. notula (vgl. noot en notaris).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

notulen (Frans notules of Latijn notulae)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Nótulen (van ’t Lat. notula, verkleinwoord van nota = aanteekening) noemt men het verslag van het verhandelde eener vergadering, zooals dat door den secretaris der vereeniging in een volgende vergadering wordt uitgebracht, om aan de goedkeuring der vergadering te worden onderworpen. Zijn er geen op- of aanmerkingen gemaakt, zoo worden zij door den voorzitter mede-onderteekend en krijgen dan een soort wettig gezag, vooral met het oog op genomen besluiten. (Spreek uit: no’telen). De notulen onzer Staten-Generaal heeten “Handelingen”; van de kerkelijke synoden: acta, d. i. eveneens daden, handelingen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

notulen ‘aantekeningen van vergadering’ -> Fries notulen ‘aantekeningen van vergadering’; Indonesisch notulen ‘aantekeningen van vergadering’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

notulen aantekeningen van vergadering 1592 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal