Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nors - (geïrriteerd, stug)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nors bn. ‘geïrriteerd, stug’
Mnl. Hi seide norts ‘hij zei op een norse manier’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. Als hy by noordscher haesticheyt wort verhit ‘als hij door irritatie en drift verhit raakt’ [1512; iWNT], De Nortsche Nydt steegh uyt haer helsche hol [1610-19; iWNT], Je grauwde, je snaude, ... Je waert soo nors [1612; iWNT], dien norssen kasteleyn [1630; iWNT kastelein], norsse Noormannen [1640; iWNT zweep].
Men leidt het bn. nors meestal af van een klanknabootsend werkwoord mnl. norren ‘knorren, brommen’ [1477; Teuth.] (NEW, WNT), vergelijkbaar met → knorren en → morren. Het werkwoord is echter jonger en slechts spaarzaam geattesteerd. Waarschijnlijker is afleiding met bijvoeglijke → -s van → noord, mnl. nort. Het noorden werd in het Middelnederlands vaak geassocieerd met de slechte en zwakke eigenschappen van de mens, zoals bijv. de uitdrukking haer caproen stont al int noort ‘zij had een slecht humeur’ [1340-60; MNW-R]. De medeklinkercluster /rts/ werd door assimilatie vereenvoudigd tot /rs/.
Nfri. noartsk, noartel, noartlik, noartich ‘nors’. Als de Friese vormen inheems zijn en niet ontleend aan of beïnvloed door de oude Nederlandse vormen, is afleiding van noord onwaarschijnlijk en verwacht men eerder afleiding van een basiswoord op -t. De vorm noartel suggereert afleiding van een werkwoord.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nors* [stuurs] {norts(ch) 1350} van middelnederlands norren [knorren, grommen] (vgl. nurks).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nors bnw., mnl. nortsch ‘nors, schamper, bits’, kan men verbinden met mnd. nurren ‘knorren’. Het woord staat naast knorren en mnl. gnorren en behoort dus tot een rij van klankwoor-den, zoals neuriën en zie ook: nurks.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

norsch bnw., mnl. norts (als bijw.). Behoort bij Teuth. norren “kibbelen”, mnd. nurren “knorren” of bij een afl. hiervan, mnl. *norten. Uit het Ngerm. vgl. zw. dial. norna, nyrna “stilletjes meedeelen of waarschuwen”. Ablautende vormen zijn bij nar vermeld. Wsch. is deze woordfamilie jong. Met de woordfamilies van knorren en morren is zij zeker van ouds geassocieerd geweest. Zie nurks.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

nors[ch]. Daar mnd. nurren (naast narren) kennelijk onomatopoëtisch en wsch. jong is, zijn combinaties als die van Persson IF. 35, 210 met lett. ņura ‘ein weinerlicher Mensch’, ņurât ‘brommen, spinnen als de kat’ gewaagd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

norsch bijv., Mnl. norts, van Mnl. norren = knorren, bij nar; z. ook nurks.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nors b.nw. Ook, geselstaal en verouderend, noors.
Nukkerig, onvriendelik.
Uit Ndl. nors (Mnl. norts). Mnl. norts is 'n afleiding van norren 'knor, grom', oorspr. klanknabootsend gevorm.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

noors: – nors – , (temperamenteel) stuurs, suur; Ndl. nors(ch), vroeër ook noortsch/noorsch/nortsch (Mnl. nortsch, “bits, sleggehumeurd”), wsk. afl. v. ouer ww. norren/nurren, “kibbel”, en geassos. m. Ndl. nurks(ch) en ww. knorren, wsk. kn.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Norsch, nurksch van norren, nurken = knorren, brommen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nors* stuurs 1350 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut