Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

norm - (regel, maatstaf, standaard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

norm zn. ‘regel, maatstaf, standaard’
Vnnl. norme ‘zegel’ [1650; Hofman], ook ‘maat, voorbeeld, regel’ [1654; Meijer], nnl. norm ‘regel, maatstaf’ in gedoemd om naar een blinde norm voordtesukkelen [1799; WNT voortsukkelen], eerst ook nog wel in de Latijnse vorm norma, vergelijk norm, norma [1847; Kramers] en in de norma van den rechtstoestand ‘de maatstaf van de wettige toestand’ [1875; WNT hindoe], norm ‘na te streven niveau’ in een norm van ontwikkeling [1885; WNT wezen II], ‘gebruikelijk niveau’ in daalt de ochtend-temperatuur tot de norm [1920; WNT remitteeren], ‘maatschappelijke, zedelijke en geestelijke regel’ in de normen van ons leven [1910; WNT wereldplan], ‘officieel vastgesteld niveau’ in de norm van 70 pct bebouwingsfactor [1955; WNT Aanv. een I].
Ontleend, wrsch. via Duits Norm ‘standaard, regel’ [14e eeuw; Kluge], aan Latijn nōrma ‘regel, richtsnoer’, oorspronkelijk ‘winkelhaak, tekenhaak’, van onbekende verdere herkomst. Een andere mogelijkheid is ontlening aan Frans norme ‘regel, maatstaf’ [ca. 1165; TLF], ontleend aan Latijn nōrma, maar Frans norme was zeldzaam tot ver in de 19e eeuw.
In de 19e eeuw bracht de Duitse wiskundige en statisticus Gauss ook de Latijnse vorm norma [1832; OED] weer in omloop, met de betekenis ‘statistisch gemiddelde waartegen men zekere waarden kan afmeten’. Onder invloed van Engelse maatschappijbeschouwers werd norm, meestal in het meervoud norms ‘normen’ [1900; OED], ook toegepast op sociaal gedrag: deze betekenis zien we in Nederland veel in krantencitaten uit het eerste kwart van de 20e eeuw en ook in de thans veel gehoorde vaste verbinding normen en waarden [1955; WNT Aanv. constantie] is de betekenis van normen nog steeds ‘standaard voor sociaal gedrag’. Ook de meer technische betekenis is niet verloren gegaan, zoals blijkt uit 20e-eeuwse samenstellingen als productienorm ‘vastgestelde hoeveelheid te produceren goederen’ [1924; NRC].
normeren ww. ‘een norm vaststellen’. Nnl. normeeren ‘naar de norm regelen, ordenen, voorschrijven’ [1847; Kramers], ‘norm voor de hoeveelheid vaststellen’ in de noodzakelijkheid de productie te normeeren [1913; NRC], ‘maatschappelijke en zedelijke normen vastleggen’ in het nieuwe leeven normeren aan de grijze oudheid [1931; Vaderland].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

norm [richtsnoer] {1889} < frans norme < latijn norma [winkelhaak, richtsnoer, regel], vgl. grieks gnōmōn [kenner, richtsnoer, winkelhaak], verwant met gignōskein [weten] (vgl. gnostisch).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1norm s.nw.
Maatstaf wat geld as die standaard waaraan iets gemeet word.
Uit Eng. norm (1821) of Ndl. norm (1889).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

norm (Frans norme)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

norm ‘richtsnoer’ -> Indonesisch norma ‘richtsnoer, standaard’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

norm richtsnoer 1889 [Picarta: titel van L.W.E. Rauwenhoff] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal