|
noot (aantekening; toonteken)M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlandsnoot 1 zn. ‘aantekening bij een tekst; toonteken; toon’ G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch (incl. Supplement uit 2007)noot s.nw. N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboeknoot aantekening 1240 [Bern.] <Frans noot muzieknoot 1287 [CG NatBl] <Frans P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboeknoot1 [muziekteken] {note, noot [aantekening, muzieknoot] 1201-1250} < frans note [idem] < latijn nota [(ken)teken, letterteken, stenografisch teken, muzieknoot] (vgl. noteren). J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-NederlandsII. noot: op noten, (muziek genoteerd in) notenschrift. Elke dag moest ik oefenen op noten. Mijn vader zei dat wie niet op noten kan spelen geen muzikant is (BN 121: 51; 1980). - Zie ook: do-re-mi*. J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboeknoot 2 ‘zangnoot, aantekening’, znw. v., mnl. nōte < fra. note of rechtstreeks < lat. nota. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taalnoot II (zangnoot en aanteekening), mnl. note v. in beide nnl. bett. Uit lat. nota of fr. note. Ook in ’t Mhd. en elders ontleend. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taalnoot 1 v. (aanmerking), Mnl. note, uit Lat. notam (-a) = kenteeken, met notare = teekenen, bij nomen = naam: (z.d.w.). noot 2 v. (muzieknoot), Mnl. note: hetz. w. als noot 1. F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden1649. Hij heeft veel noten op zijn zang.‘Dit zegt men van een grillig en moeyelijk hoofd, dat veel beslag en omslag maakt. 't Is ontleent van de nooten der zangkunst, die op zommige deunen wel zeer veele zyn’ (Tuinman I, 259). De eig. bet. is dus: zijn zang, zijne partij heeft veel noten; hij heeft heel wat te zingen, en vandaar: hij heeft veel pretenties of ook veel praats. Vgl. Campen, 113: hy heft voel nooten op synen sanck; Goedthals, 115: een onledigh wyf, en legghende hinne, hebben vele cakelens aen; vele noten op huerliederen sangh, la plus douce neuf fois le iour faut qu'elle se courrouce; zie verder Van Moerk. 539; C. Wildsch. III, 146; V, 267; Ndl. Wdb. XI, 298; IX, 2149; Onderm. 28; Afrik. hy het baie note op sy sang; enz. Ook in Zuid-Nederland is deze uitdrukking bekend; zie Schuermans, 415 b; Antw. Idiot. 862; Waasch Idiot. 461: veel noten op zijnen zang hebben, frank spreken, zich veel te verstaan geven. In het Haspengouwsch zegt men hiervoor: veel liekens in zijnen buik hebben; veel krollen in zijnen steert hebben (Rutten, 42; 132); en in Limburg, volgens Welters, 93: hij heeft veel duiven op zijn dak; in het Friesch: hy het in bulte (of in hopen) noaten op 'e sang; op Goeree en Overflakkee: veel peen in den hutspot hebben; hi heit altied een pisje of een kakje. T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingenNoot (aanteekening) van ’t Lat. nota = kenteeken, van ’t adj. notus = bekend. Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |
