Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nooit - (op geen enkel moment)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nooit bw. ‘op geen enkel moment’
Mnl. noit ‘op geen enkel moment’ in noit eer op enen tijt ‘nog nooit eerder’, si mi hebben vro gemakt Meer dan ic noit was teuoren ‘ze hebben me blijer gemaakt dan ik ooit tevoren ben geweest’, Want got ... Lutgarden noit nit nonsseide Van selken dingen ‘want God ontzegde Lutgard nooit zulke dingen’ [alle 1265-70; VMNW], Noint ne saghene menschen oghen ‘nooit eerder hebben mensenogen hem gezien’ [1285; VMNW oghe], van allen dien gheloue dat hi ons noient dede ‘van alle beloften die hij ons ooit gedaan heeft’ [1292; VMNW].
Wrsch. gevormd bij → ooit ‘op enig moment’, met negatiepartikel n- (zie → nee(n)) naar analogie van niets bij iets, niemand bij iemand, nergens bij ergens en vooral mnl. nie ‘nooit’ bij ie ‘ooit’. De oorsprong van de -n- in de nevenvorm noi(e)nt (zo ook in het antoniem mnl. oint) is onbekend. Heeroma (1942) neemt hiervoor een oorspr. vorm *nooitnie aan, via een tussenvorm *nooiniet of *nooitn > *nooient.
Lit.: K. Heeroma (1942), ‘Etymologische aantekeningen: 9. Nooit’, in: TNTL 61, 99-101

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nooit* [op geen enkel tijdstip] {noi(n)t 1265-1270} van ontkennend middelnederlands ne + ooit.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nooit bijw. mnl. nôit, nôint. Gewoonlijk opgevat als ontkenning van ooit, maar dan volgens K. Heeroma Ts 61, 1942, 81-117 op te vatten als een jongere formatie naast ooit, naar analogie van niet en iet, nergens en ergens. Hij verklaart de vorm noint daardoor, dat de 2de n een rest van een ontkenning zou zijn en leidt het woord af uit nooitnie.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nooit bijw., mnl. nôit, nôint. Ontkenning (vgl. niet II) van ooit.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nooit bijw., Mnl. noi(n)t: uit ne en ooit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

noets (bijw.) nooit; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) noeijt, Vreugmiddelnederlands noit <1265-1270>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nooit bw.
1. Op geen tydstip nie. 2. Volstrek nie.
Uit Ndl. nooit (al Mnl.), 'n sametrekking van ne 'nie' en ooit.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1970).
Vgl. newwer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nooit: nimmer; Ndl. nooit (Mnl. nōit/nōint) uit ontk. v. ooit na anal. v. niet naas iet, nergens naas ergens, terwyl Mnl. nōint mntl. uit nooitnie(t) (v. dVri J NEW).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nooit ‘op geen enkel tijdstip’ -> Duits dialect nooit, noit ‘op geen enkel tijdstip’; Zuid-Afrikaans-Engels nooit ‘uitroep van ongelovigheid’ ; Negerhollands nooit, nōit, noit ‘op geen enkel tijdstip’; Berbice-Nederlands noiti ‘op geen enkel tijdstip’; Sranantongo noiti ‘op geen enkel tijdstip’; Saramakkaans noíti ‘op geen enkel tijdstip’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † noit ‘op geen enkel tijdstip’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nooit* bijwoord van tijd: op geen enkel tijdstip 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal