Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nooddruft - (armoede)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

nooddruft zn. ‘armoede’
Mnl. nootdorft ‘behoefte, levensbehoefte’ in ter amer (lees armer) noetdorft ‘ten behoeve van de armen’ [1266-67; VMNW], dat der mensche niwets en gere dan sinre nauwer notdorten ‘dat de mens niets begeert behalve zijn karige (eerste) levensbehoeften’ [1290-1310; MNW-P], dat si ... sochte hoer ende horen kinde hoer nootdruft ‘dat ze de kost probeerde te verdienen voor haar en haar kind’ [1409; MNW-P]; vnnl. noodtdruften ‘levensbehoeften, levensmiddelen’ [1582; Stall.], nootdruft ‘behoeftigheid, armoede’ [1610-19; iWNT].
Tautologische samenstelling van → nood in de betekenis ‘ellende, armoede’ en *druft ‘ontbering’, een in het Nederlands niet als simplex geattesteerde afleiding van → durven in de oorspr. betekenis ‘nodig hebben’. In het Nederlands met metathese van de klinker en de -r- voor -ft (voor de dergelijke metathese voor -cht zie → godsvrucht en → gewrocht), die klaarblijkelijk plaatsvond na de normale overgang -ft > -cht na klinker, zodat de ft bewaard bleef.
Os. nodthurft; ohd. notdur(u)ft (nhd. Notdurft ‘behoefte’); ofri. nēdthreft (nfri. needdrift); got. naudiþaurfts; het tweede lid < pgm. *-durb-ti-, abstractum bij de nultrap van de wortel *darb-. Zonder achtervoegsel ook oe. nīdþearf.
Het woord is verouderd. Voor zover het als archaïsme of in verheven juridische of religieuze context nog gebruikt wordt, betekent het ‘armoede, behoeftigheid’, een betekenis die in het Vroegnieuwnederlands is ontstaan uit oorspr. ‘behoefte’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nooddruft* [dringende behoefte] {nootdorft, nootdurft 1291-1300, en met metathesis van r, nootdroft, nootdruft [dringende behoefte] 1301-1400} van middelnederlands noot [nood] + -dorft, -droft [gebrek], afgeleid van derven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nooddruft znw. m. v., mnl. nootdorft, nootdurft, nootdroft, nootdruft v. m. ‘behoefte, benodigdheid, levensmiddelen’. Wij moeten uitgaan van de vorm op -durft (voor metathesis van r zie ook wrocht naast werken), vgl. os. nodthurft, ohd. notduruft (nhd. notdurft), ofri. nedthreft v. ‘nooddruft, behoefte’. — Samenstelling van nood + *þurftō, vgl. ohd. durft, os. thurft, on. þurft, got. þaurfts te vergelijken met opr. enterpo ‘het is van nut’ (de Saussure MSL 7, 1892, 83); zie verder bij derven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nooddruft znw., mnl. nootdorft, nootdurft, nootdroft, nootdruft v. m. “behoefte, wat noodig is, levensmiddelen”. Voor de metathesis vgl. wrocht: werken, Albrecht < *Alberxt, wrat. = ohd. nôtduruft (nhd. notdurft), os. nôdthurft, ofri. nêdthreft v. “nooddruft, behoefte”. Het tweede lid, dat ook buiten samenst. voorkomt, is een verbaalabstractum van de basis van derven: ook n.- en oost-germ.: on. þurft, got. þaúrfts v. “behoefte”. Vgl. nog got. naudiþaúrfts “noodig”, ouder-zw. nödtharf, ags. nîedðearf m. “behoefte, nooddruft”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nooddruft v., Mnl. nootdorft, Os. nôdthurft + Ohd. nôtduruft (Mhd. nôtdurft, Nhd. id.), Go. adj. naudiþaurfts: het tweede lid is een afleid. van derven (z.d.w.); het geheel = dringende behoefte.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

nooddust (G), zn. m.: nooddruft. Door assimilatie rs > s uit nooddurst (De Bo). Volksetymologisch en met ft/st-wisseling < Mnl. nootdurst < nootdurft, nootdruft 'nooddruft, dringende behoefte', Vnnl. nooddurst 'sustentement ou ce qu'il faut pour vivre et non plus' (Lambrecht), nooddurft, nooddurst 'noodzaak'. Ohd. nôtduruft, Ond. nôdthurft,Mhd. nôtdurft, Mnd. nôtorft, nôtorst, nôttroft, Ofri. nedthreft. Samenst. van nood en Germ. *þurftô: Got. þaurfts, Ohd. thurf(t), thruft, dur(u)ft, Os. thurft, On. þurft 'behoefte'. Dat laatste is een afl. van derven: Os. tharbôn, Ohd. darbên, D. darben, Oe. ðerfian 'missen', On. þarfa 'nodig hebben', Mnl. darf 'ik heb nodig', Ofri. thurf, thorf.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nooddruf s.nw. (deftig)
Gebrek aan die noodsaaklikste lewensbehoeftes.
Uit verouderde Ndl. nooddruft (Mnl. nootdurft), 'n samestelling van nood 'nood' en druft, met lg. met metatesis uit durft 'gebrek', 'n afleiding van derven 'ontbeer'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

nooddurst (DB), zn. m.: dringende dorst, nooddruft. Volksetymologisch en met ft/st-wisseling Mnl. nootdurst < nootdurft, nootdruft ‘nooddruft, dringende behoefte’, Vroegnnl. nooddurst ‘sustentement ou ce qu’il faut pour vivre et non plus’ (Lambrecht), nooddurft, nooddurst ‘necessitas, urgens egestas, requisita naturae, victus, necessaria naturae’ (Kiliaan). Ohd. nôtduruft, Ond. nôdthurft, Mhd. nôtdurft, Mnd. nôtorft, nôtorst, nôttroft, Ofri. nedthreft. Samenst. van nood en Germ. þurftô: Got. þaurfts, Ohd. thurf(t), thruft, dur(u)ft, Os. thurft, On. þurft ‘behoefte’. Dit laatste is een afl. van derven: Os. tharbôn, Ohd. darben, D. darben, Oe. ðerfian ‘missen’, On. þarfa ‘nodig hebben’, Mnl. darf "ik heb nodig’, Ofri. thurf, thorf.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nooddruft is een metathesis van nooddurft (Os. nodthurft). Durven bet. hier (zooals nog in ’t Duitsch) behoeven: „Sie dürfen nur zu sprechen” = U behoeft slechts te spreken. Vgl. ’t Mnl.: „Wi en dorven ons niet ontsien”. ’t Woord nooddruft wil dus letterlijk zeggen: behoefte, door den nood ontstaan; behoefte aan ’t noodzakelijkste.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nooddruft ‘behoefte’ -> Deens nødtørft ‘zijn behoefte doen, vaak ergens waar geen toilet is’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors nødtørft ‘behoefte’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds nöttorft ‘behoefte’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nooddruft* behoefte 1291-1300 [CG Luiks Diat.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

terp-, trep- ‘sich sättigen, genießen’, tr̥p-ti-s ‘Bedürfnis, Sättigung’

Ai. tṛ́pyati, tr̥pṇóti, tr̥mpáti, tarpati ‘sättigt sich, wird befriedigt’, Kaus. tarpáyati ‘sättigt, befriedigt’, tr̥ptí-, tŕ̥pti- f. ‘Sättigung, Befriedigung’, av. θrąfδa- ‘befriedigt, ausreichend versehen’ (*tramptha-: ai. tr̥mpáti), θrąfs- n. ‘Zufriedenheit’; npers. tulf ‘Übersättigung’(*tr̥fra-); vielleicht auch ai. -tr̥p- ‘stehlend’, av. tarǝp- ‘stehlen’, mpers. tirft ‘Diebstahl’, sogd. cf- ‘stehlen’ (‘sich des Besitzes erfreuen’?); gr. τέρπω ‘sättige, erfreue’, τέρπομαι ‘freue mich’; τέρψις ‘Befriedigung’;
vielleicht got. þrafstjan ‘trösten, ermahnen’, anaþrafstjan ‘erquicken, zur Ruhe kommen lassen’ (zu *þrafsta-, idg. *trop-sto-?); auch die Gruppe got. þaúrban (þarf, þaúrbum, Prät. þaúrfta) ‘bedürfen’, aisl. þurfa (þarf, þurfum), ahd. durfan (darf, durfum) ds., got. þarbs ‘bedürftig, nötig’, aisl. þarfr ‘nützlich’, þarfi ‘nötig’, got. þarba ‘Mangel, Dürftigkeit’, aisl. þǫrf f. ‘Bedarf, Nutzen’, ags. ðearf ‘Bedürfnis, Nutzen’, ahd. darba ‘Entbehrung, Mangel’, got. þaúrfts f. ‘Bedürfnis’ (= ai. tr̥pti-), aisl. þurft, ahd. durft ds.?; die Bed.-Entwicklung könnte gewesen sein ‘woran Befriedigung finden - bedürfen’ (vgl. oben S. 173 lat. fruor (ge)brauche);
lit. tarpà ‘Gedeihen, Wachstum’, tarpstù, tar̃pti ‘gedeihen, zunehmen’, lett. tārpa ‘was gute Hoffnung gibt, Gedeihen, Wachstum’, tērpinât ‘verbessern’, apr. enterpo ‘nützt’, enterpon, enterpen ‘nützlich’;
toch. AB tsārw- ‘sich freuen’ (Pedersen Toch. Sprachgesch. 19).

WP. I 736 f., Trautmann 314, Vasmer 3, 125 f., 134, Mayrhofer 1, 523 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal