Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nood - (gevaar; behoefte, gebrek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nood zn. ‘gevaar; behoefte, gebrek’
Onl. nōt ‘gevaar; ellende, pijn; dwang’ in de samenstelling nodfyr ‘vuur ter afwending van onheil’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 16], hiz duot mir michol nood ‘het doet mij veel pijn’ [ca. 1100; Will.], that thie uile unsculdige lîude uer tholodon so manige node ‘dat die volkomen onschuldige mensen zoveel ellende doormaakten’, ane not ‘zonder dwang’ [beide 1151-1200; Reimbibel]; mnl. síjn herte dat leet grote noet ‘zijn hart leed veel smart’, hi ulo dur die noet ‘hij vluchtte vanwege het gevaar’ [beide 1220-40; VMNW], hebbe his nod ‘als hij er behoefte aan heeft’ [1236; VMNW], noot ‘noodzaak’ [1240; Bern.].
Os. nōd (mnd. nōt); ohd. nōt (nhd. Not); ofri. nēd (nfri. need); oe. nēd, nīed (ne. need); on. nauðr (nzw. nöd); got. nauþs; alle ‘nood, gevaar, noodzaak, dwang, plicht e.d.’, < pgm. *naudi-, met grammatische wisseling uit *nauþí-.
Verwant met: Oudpruisisch nautin ‘nood’; Litouws nõvyti ‘kwellen’, Oudkerkslavisch naviti ‘vermoeien’ (Tsjechisch unavit); Oudiers núne ‘hongersnood’, Welsh newyn ‘id.’, Cornish naun ‘id.’; < pie. *nou-ti- (IEW 756). Mogelijk verder verwant met: Oudnoords nár ‘lijk’, Gotisch naus ‘id.’; Lets nâve ‘dood’, nâvêt ‘doden’; Oudrussisch navĭ ‘lijk’ (Russisch nav' ‘geest van overledene’); < pie. *neh2u-.
In de Oudgermaanse talen heeft dit woord al naast elkaar betekenissen als ‘ellende’, ‘dwang’ en ‘behoefte’. De oorspr. betekenisontwikkeling is niet helemaal duidelijk; de verwante niet-Germaanse woorden suggereren een oorspr. betekenis ‘ellende, kwelling’.
Als productief eerste lid komt nood voor in de betekenis ‘tijdelijk, als reserve’ in bijv. noodgebouw, noodreparatie, nooduitgang; de betekenis ‘behoefte’ in bijv. met een noodgang, hoge nood hebben, (BN) nood hebben aan en in de afleiding nodig.
node bw. ‘noodgedwongen, ongaarne’. Onl. node ‘id.’ in (met verhoogduitste -d- > -t-) thaz er note lazen scolde ‘wat hij ongaarne achterwege wou laten’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. node ‘id.’ [1240; Bern.]. Verstarde datief van nood, dus ‘door nood (gedwongen)’, later opgevat als bijwoord. ♦ noden ww. ‘aansporen, verlokken’. Mnl. noden ‘uitnodigen’ in die fremde lieden sonder orlof tetene noded ‘wie buitenstaanders zonder toestemming uitnodigt voor het eten’ [1236; VMNW], ‘aansporen, uitnodigen’ in din gelage Daer got ons menschen alledage Toe noedt ‘het (hemelse) gastmaal waar God ons mensen alle dagen toe uitnodigt’ [1265-70; VMNW]. Afleiding van nood ‘dwang, plicht’, maar de betekenis van het werkwoord is al in de oudst attestaties sterk verzwakt. Zie ook → uitnodigen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nood* [dwang der omstandigheden, gevaar, gebrek] {noot, nood [dwang, lijden, gebrek] 1236} oudsaksisch nōd, oudhoogduits nōt, oudfries nēd, oudengels nied, oudnoors nauð, gotisch nauþs; buiten het germ. oudiers núne [hongersnood], oudpruisisch nautin (4e nv. enk.) [nood], oudkerkslavisch nužda [dwang, nood]. Voor de uitdrukking iets van node hebben [nodig hebben] vgl. middelnederlands van node [noodzakelijk], des noot hebben [behoefte hebben aan].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nood znw. m., mnl. noot v. m. ‘geweld, dwang, noodzakelijkheid, nood, behoefte, gebrek’, os. nōd v. ‘nood’, ohd. nōt v. ‘moeite, nood, gevaar, strijd, dwang’, ofri. nēd v. ‘nood, dwang, angst, gevaar, noodzaak’, oe. nīed v. ‘noodzaak, plicht, behoefte, nood, moeite, dwang’ (ne. need), on. nauð, nauðr v. ‘nood, dwang, noodzaak’, got. nauþs v. ‘nood, dwang’. — opr. nautin 4de nv. enk. ‘nood’. Idg. wt. *nau-: *nəu-, vgl. oiers nūne ‘hongersnood’, lit. nōvyti ‘kwellen, doden’, osl. unaviti ‘vermoeien’. Hier bij ook on. nār, got. naus ‘lijk’ (IEW 756), vgl. nog toch. Β naut-, A nut- ‘sterven’.

Er zijn ook andere verklaringen. Zo gaat Meringer IF 17, 1904, 152 van een verbinding met on. gnūa naast bnūa ‘wrijven’ uit, welke woorden kunnen wijzen op een germ. *nōwan (AEW 180). — Soms verbindt men met nood ook een on. *naumr (overgeleverd naumlātr ‘smadelijk, onbeduidend’), zo P. Persson, Fschr. S. Bugge 1892,192; maar anderen verklaren dit naumr < *narwuma, dat dus bij naar zou behoren (FT 1521).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nood znw., mnl. noot (d) v. m. “geweld, dwang, noodzakelijkheid, nood, hachelijke toestand, behoefte, gebrek”. = ohd. nôt v. “moeite, nood, gevaar, strijd, dwang” (nhd. not), os. nôd v. “nood”, ofri. nêd v. “nood, dwang, angst, gevaar, noodzaak”, ags. nîed v. “noodzaak, plicht, behoefte, nood, moeite, dwang” (eng. need), on. nauð, nauðr v. “nood, dwang, slavernij, noodzaak”, got. nauþs v. “nood, dwang”. = opr. nauti- “nood”. Verbaalabstractum van een basis neu-, nu-, waarvan ook ier. nûna “hongersnood”,gr. neneukénai; tethnēkénai (Hes.), obg. u-nyją,- u-nyti “bedroefd worden, moede worden”, verder obg. nužda “dwang, noodzaak” (oudere vorm dan nąžda) en wsch. lett. nâwe “dood”, lit. novyti “ten verderve brengen, benauwen”, čech. únava “vermoeienis”, ksl. navĭ “lijk” (zie narwal). De verdere combinatie hiermee van mnl. niet (d) m. (o.?) “verlangen, begeerte”, ohd. niot m. “id., streven”, os. niud m. (o.?) “verlangen”, ags. nêod v. “id., ijver” (idg. neu-t- of neu-dh- “dringen, gedrongen worden”?) is zeer onzeker. Dat geldt ook van de combinatie met ohd. nûan “stukstooten, stukwrijven”, on. nûa (gnûa, bnûa) “wrijven”, got. bnaúan “stukwrijven”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nood m., Mnl. noot, Os. nôd + Ohd. nôt (Mhd. id., Nhd. not), Ags. níed (Eng. need), Ofri. néd, On. nauđ (Zw. nöd, De. nød), Go. nauþs = dwang, gevaar, nood + Opr. nauti = nood, Osl. nužda = dwang, navĭ = lijk, Lett. nawe = dood, Oier. núnn = hongersnood. Gr. neneukénai = gestorven zijn.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

noed (zn.) nood; Aajdnederlands not <700-800>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nood s.nw.
1. Moeilike of gevaarlike omstandighede. 2. Toestand van gebrek.
Uit Ndl. nood (al Mnl.).
D. Not, Eng. need.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nood (Got. nauth-s = dwang, gevaar, nood), in ’t Germ. nauti, houdt men voor een afl. op ti van een niet nader aan te geven Voorgerm. wt. nau, die met ons nauw moet samenhangen en benauwen bet.; vandaar: in ’t nauw gedreven zijn, kwellen, dwingen. Nooden (uitnoodigen) is letterlijk: dwingen, later met vriendelijker bet.: dringend verzoeken.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nood ‘dwang der omstandigheden, gebrek’ -> Fries noad ‘dwang der omstandigheden, gebrek’; Zweeds förnödenhet ‘behoefte aan iets’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands nood ‘dwang der omstandigheden, gebrek’; Papiaments nodi ‘noodzaak’; Sranantongo nowtu ‘dwang der omstandigheden, gebrek’; Saramakkaans noútu ‘dwang der omstandigheden, gebrek’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nood* dwang der omstandigheden, gebrek 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1163. Klagers hebben geen nood.

Deze meening bestond in de 17de eeuw, blijkens De Brune, 161: Zulck een die claeght, als 't eynden raed, die nochtans niet en heeft yet quaed. De spreekwijze in onzen vorm vond ik het eerst in de 18de eeuw bij Halma, 265: De klaagers hebben geen nood, ceux qui se plaignent sont le moins à plaindre; Sewel, 390 citeert iets anders: Klaagen heeft geen nood, roepen heeft geen brood, those that complain are often rich, and those that brag have many times no bread; Harreb. I, 97: Klagers lijden zelden nood, pogchers hebben schaars het brood; oostfri. de klagers hebben gîn nôd; harn de puggers man brôd (Dirksen II, 51); zie verder Wander II, 1362: der Klager hat wol, wenn der Prahler nur etwas hätte (vgl. Eckart, 268); der Kläger hät ken Nuth, an der Strönchser hät ken Brud; fri.: kleijers ha gjin need en sprekkers (poffers) ha gjin brea; Rutten, 113: die klagen hebben brood, die stoffen hebben nood; in Antw. Idiot. 654: klagers hebben geen nood en stoefers hebben geen brood; Waasch Idiot. 343 b: geeft den boffer een brood, de klager heeft geen nood; Schuermans, Bijv. 161 b; De Bo, 159 b; Teirl. 193.

1640. Nood leert bidden.

Zie Winschooten, 167: ‘Nood leerd bidden: dat is, menssen, die in noodweer, en ongestuimig weer sijn: die sijn soo week om haar hart, dat sij als dan alder bequaamst schijnen, om de aanstaande nooden, en gevaarlijkheeden met klemmende reedenen en woorden van God almagtig af te bidden: eeveneens gelijk verliefde minnaars, dan alder welspreekenst schijnen, als het op het nijpen aan komt, en voor een blaauwe scheen bevreesd sijn’. Vgl. lat. adversae res admonent religionum (Livius); Volksb. Vier Heemskinderen (ed. Matthes), 77: Ter nood moet men wel bidden; De Brune, 330; Tuinman II, 222; W Leevend VII, 340; C. Wildsch. V, 283; Halma, 382 en Joos, 159. Ook in het hd. Not lehrt beten (Wander III, 1055); Afrik. nood leer bid; nd. nâd lärt bäen (Eckart, 380).

1641. Nood breekt wet,

d.w.z. de nood dwingt somtijds de wet te schenden; gezegd ‘ter verklaring en verontschuldiging van iets, dat eigenlijk ongeoorloofd is of tegen de gewoonte indruischt, doch alleen door de bijzondere omstandigheden als gewettigd wordt’; Ndl. Wdb. III, 1238; lat. necessitas ante rationem est (Otto, 241). In de middeleeuwen: noot breect ewe (wet, zedewet); men breect die wet dor noot; die noot gheen wet en heeft of nootsin breket al belof; Campen, 90: nood breeckt Ee; Vondel, Gijsbr. v. Aemstel, vs. 571:

 De wetten zwijgen stil voor wapens en trompetten.
 De nood breeckt wet: gy mooght op geene wetten staen.

Vgl. verder C. Wildsch. I, 52; het hd. Not kennt kein Gebot; nd. Not holt gên Gebot; fr. nécessité n'a point de loi; eng. necessity has no law; zie Wander III, 1051; Harrebomée I, 440 b; Villiers, 87; Joos, 159; Waasch Idiot. 461 a: nood breekt wetten; Antw. Idiot. 1918: nood breekt wet.

1642. De nood gaat (of komt) aan den man.

‘Dat is, het geld de huid, of het leven. Dan klemt het gevaar allermeest; en daarvoor zal men alles doen, lijden, en wagen’ (Tuinman I, 317). Vandaar: het wordt ernst, het begint er ernstig uit te zien. In de 17de eeuw te lezen bij Cats I, 460; Klucht v.d. Pasquil-maecker, 15; Van Lummel, 754; Gew. Weeuw. III, 18; De Brune, Bank. I, 29; Pers, 448 a; enz. Vgl. ook Sewel, 524: Als de nood aan den man komt, when necessity requireth; Harreb. II, 54; Villiers, 87; Ndl. Wdb. IX, 2068. In het hd. es geht (ist) Not an Mann; wenn Not an 'n Mann gehtVoor de bet van man = mensch, zie no. 1468.; nd. Nôt an Mann, Mann vöran (Eckart, 389).

1643. Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij.

Deze op zich zelf duidelijke spreekwijze luidt bij Goedthals, 97: als den angst meest is, so is gods hulpe allernaest, ce que Dieu ayme, au besoing repas a; bij De Brune, 151: wanneer den angst ons meest verbaest (ontstelt), zoo is Gods hulp ons aldernaest. Zie Harreb. I, 15 b; II, 129 b, waar de tegenwoordige vorm voorkomt; Villiers, 87; Joos, 159: hoe grooter nood, hoe nader God; Wander III, 1058: wenn die Not am grössten, ist die Hülf (ist Gott) am nächsten; eng. when the need is highest, help is nighest; fr. à barque désesperée Dieu fait trouver le port.

1644. Van den nood eene deugd maken,

d.w.z. in den nood iets doen, ‘voor deugd of goed aanzien’, dat men anders niet zou goedkeuren; zich naar den tijd en de omstandigheden schikken; lat. facere de necessitate virtutem (Otto, 241). In de middeleeuwen: van der noot (of van der nootsake) ene doget maken; Campen, 91: men moet van den noot een duechde maken; Servilius, 202*; Sartorius I, 3, 61; II, 6, 53; Hooft, Ged. I, 2, vs. 8; Brederoo, Klucht v.d. Molenaar, vs. 19; Idinau, 305:

 Men van den noodt een deught moet maken,
 Als emmers het quaedt moet zijn gheleden.
 Ghy en kunt uyt t' lijden niet gheraken;
 Wilt hier dan ghewilligheydt toe be-steden.
 Als ghy van buyten queelt, weest van binnen te vreden.

In het hd. aus der Not eine Tugend machen; fr. faire de nécessité vertu; eng. to make a virtue of necessity. Zie Wander III, 1050; 1060; Tuinman I, 344; Ndl. Wdb. IX, 2068; Joos, 159; Villiers, 87; Waasch Idiot. 461 a; Antw. Idiot. 1918 en vgl. nog het Friesch: as 't net kin so 't moat, dan moat it sa 't kin.

1645. In den nood leert men zijne vrienden kennen.

Deze gedachte wordt meermalen bij de klassieke schrijvers aangetroffen. Vgl. Euripides, Hec. 1226: εν τοις κακοις γαρ αγαθοι σαφεστατοι φιλοι; Cicero, de amicitia, 17, 64: amicus certus in re incerta cernitur; Petronius: in augustiis amici apparent; enz. Zie Journal, 8 en verder bij ons in het mnl. Limb. VIII, 175: Ter noet mach men den vrient bekinnen; Con. Somme, 424: In den noot sietmen wie vrient is; Goedthals, 73: In nood kentmen vrienden; Trou m. Bl. 156: Die beste vrinden kintmen inder meester noot; Servilius, 21: In den noot leertmen die vrienden kennen; Cats I, 498; De Brune, 222:

 Wanneer men is in noot of pijn,

 Dan kentmen, wie de vrienden zijn.Zie verder Sewel, 524; Halma, 753; Bebel no. 249; Harrebomée I, 145 b; III, 165 b; Villiers, 87; Joos, 141; Antw. Idiot. 1918: in den nood kent men zijn vrinden; Wander III, 1047; fr. c'est dans le besoin qu'on connaît les (vrais) amis; hd. in der Not erkennt man den Freund; eng. a friend in need is a friend in deed.

1646. Iets van noode hebben,

d.i. iets noodig hebben. Oorspr. beteekende van noode(n), door den nood gedwongen, noodzakelijk. Van noode zijn, hd. vonnöten sein, noodzakelijker wijze zijn; daarna ‘noodig zijn’, t.w. voor iemands behoefte. Toen van noode deze beteekenis van ‘noodig’ had aangenomen, werd het ook verbonden met het wkw. hebben in de beteekenis van noodig hebben, behoefte aan iets hebben; vgl. dezelfde ontwikkeling bij het hd. vonnöten haben. Zie Ndl. Wdb. IX, 2073; Tijdschr. XVII, 167; Paul, Wtb. 379 en vgl. fri. hwet fen noaden hawwe; Gallée, 31, van nöden hebben, van noode.

2482. Vrienden in den nood, honderd in een lood

d.w.z. in den nood zijn de vrienden meestal van weinig gewicht, van weinig waarde; goede vrienden zijn dan zeldzaam. Vgl. Ovidius, Tristia I, 9, 5: Donec eris felix, multos numerabis amicos, tempora si fuerint nubila, solus eris; Scaecspel, 74: Tempore felici multi numerantur amici, dum fortuna perit nullus amicus erit. Het spreekwoord komt voor bij Cats I, 507: Vrienden in der noot vier-en-twintigh in een loot; De Brune, 36: Goede vrienden in de noot, vierendertigh in een loot; 38: Vrienden in der vrienden nood, vier en twintigh in een loot; Tuinman II, 216; Harrebomée II, 35; Ndl. Wdb. VIII, 2712; Wander I, 1184: Freunde in der Noth gehen fünff und zwentzig (fünffzig) auf ein loth; ital. borsa serrata, amico non si trova. Voor Zuid-Nederland vgl. Antw. Idiot. 1406: vrinden in den nood, vijf en zestig in één lood. Dit laatste woord biedt zich van zelf aan door het rijm.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut