Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nonchalant - (achteloos)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nonchalant bn. ‘achteloos’
Vnnl. nonchalant ‘onverschillig, nalatig’ in nonchalante comportementen ‘nalatig gedrag’ [1634; WNT veel IV]; nnl. nonchalant ‘achteloos, onzorgvuldig’ in of zeer traag, of geheel onverschillig en nonchalant [1786; WNT traag I], ‘achteloos, ongedwongen’ in stond hij, wat nonchalant van houding, toch ... [1901; WNT woelig].
Ontleend aan Frans nonchalant ‘onverschillig, nalatig’ [ca. 1278; Rey], teg.deelw. van nonchaloir ‘veronachtzamen’, gevormd uit non- ‘niet’, zie → non-, en Oudfrans chaloir ‘zich bekommeren, warm lopen’, eerder ook al ‘van belang zijn’ [9e eeuw; TLF], ontleend aan Latijn calēre ‘zich druk maken’, letterlijk ‘warm zijn’, verwant met → lauw ‘halfwarm’. Zie ook → klant.
In de loop van de 20e eeuw kreeg het woord in het Nederlands, wrsch. in navolging van het Frans, ook de betekenis ‘ongedwongen, naturel’, een eigenschap die als positief wordt ervaren.
nonchalance zn. ‘achteloosheid’. Vnnl. nonchelance, nuncialance ‘nalatigheid, achteloosheid’ in door non-chalance ‘door nalatigheid’ [1619; Stall.]; door nonchelance van yverloose facteurs ‘door achteloosheid van luie brievenbestellers’ [1633; WNT verachtering], achteloosheidt en nuncialance [1677; WNT Aanv.]; nnl. nonchalance ‘achteloosheid, nalatigheid’ in by nonchalance of werkeloosheid ‘bij achteloosheid of gebrek aan actie’ [1770; WNT vol I]. Ontleend aan Frans nonchalance [ca. 1150; Rey], afleiding van nonchalant.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nonchalant [achteloos] {1650} < frans nonchalant, oorspr. teg. deelw. van oudfrans nonchaloir [niet warm zijn], van non [niet] + chaloir [warm zijn] < latijn calēre [idem] (vgl. klant).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nonchalant bnw. eerst na Kiliaen < fra. nonchalant bestaande uit non en het deelw. van chaloir ‘ter harte gaan’, vgl. lat. calet ‘het maakt mij warm’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nonchalant bnw., nog niet bij Kil. Uit fr. nonchalant (lat. *non-călent-).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

noonchalant (bn.) onverschillig; Nuinederlands nonchalant <1634> < Frans nonchalant.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nonchalant b.nw.
Traak-my-nie-agtig, kalm.
Uit Ndl. nonchalant (1650).
Ndl. nonchalant uit Fr. nonchalant, met lg. die teenwoordige dw. van nonchaloir, 'n samestelling van non 'nie' en chaloir 'warm wees'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nonchalant (Frans nonchalant)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nonchalant achteloos 1650 [MEY] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut