Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

non - (kloosterzuster; draaitol)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Nanny

Vroeger werd de kinderoppas ‘kindermeisje’ genoemd, maar sinds de jaren negentig is een andere term in zwang: nanny. Het woord is verbreid via advertenties waarin expats huishoudelijk personeel zoeken, maar ook door de televisieserie The Nanny en door Hansje Görtz, die na tweeënhalf jaar zorg voor de prinsessen Amalia, Alexia en Ariane in 2007 een eigen ‘nanny academy’ oprichtte. Waar komt het woord nanny vandaan?
Op 13 december 1692 noteerde staatsman en wetenschapper Constantijn Huygens jr. in zijn Journaal: “Gisteren kreegh 10 pond choccolate wederom van nicht Becker, en had Nanny, haer meidt, geweest om mij ’t geldt, dat van haer hebben most, te brengen.” Hier is Nanny een eigennaam. De Engelse meisjesnaam is afgeleid van Nan, op zijn beurt een troetelvariant van Ann(e). Omdat veel vrouwelijke huisbedienden in het Engels de voornaam Nan of Nanny hadden, verschoof de betekenis in de achttiende eeuw naar die van een beroepsaanduiding: ‘meid, kindermeisje’.

Non
Bij die ontwikkeling van meisjesnaam naar beroepsnaam kan de klank van het woord een belangrijke rol gespeeld hebben. In verschillende Indo-Europese talen komt namelijk nana of een vergelijkbaar woord voor als een oeroud kindertaalwoord ter aanduiding van vrouwelijke personen die niet de moeder zijn. Het Russisch heeft njanja (‘verzorgster’) en het Grieks nannē (‘tante’). In het Engels worden nan, nana, nanna en ook nanny sinds de negentiende eeuw gebruikt als vertrouwelijke aanspreekvormen voor de grootmoeder.
Ook het Latijn kende twee van zulke kinderwoorden: nonna en nonnus (respectievelijk ‘oudere vrouw’ en ‘oudere man’). Deze woorden hebben een bijzondere betekenisontwikkeling doorgemaakt. In het Italiaans, een dochtertaal van het Latijn, betekent nonna tegenwoordig ‘grootmoeder’ en nonno ‘grootvader’. In het kerkelijk Latijn werd de vorm nonnus vanaf de vijfde eeuw gebruikt om met respect en genegenheid een oudere kloosterling aan te duiden. De vrouwelijke vorm nonna, die de betekenis ‘kloosterlinge’ aannam, leeft in het Nederlands sinds de dertiende eeuw voort als non. In onze taal betekent non niet alleen ‘kloosterlinge’, het woord heeft ook opgang gemaakt als benaming voor een sierduivenras, een vlindersoort en een schelpdier.
Het Latijnse kindertaalwoord nonna heeft qua klank wel iets weg van het Latijnse mamma (‘vrouwenborst’, in kindertaal: ‘moeder’) en het Griekse pa(p)pas (‘vader’). De woorden mama en papa komen in veel talen voor; ze zijn meestal in de zeventiende eeuw ontleend aan het Franse mamman en papa. Hun populariteit (en die van nonna) is ongetwijfeld te danken aan de klankstructuur, die precies aansluit bij het eerste gebrabbel van kinderen.

Nutricia
Uit de koloniale tijd stamt een andere term voor kinderverzorgster: baboe. Het Nederlands-Indische woord komt uit het Javaans. Niet alleen in huis, maar ook op scheepsreizen verrichtten de Javaanse kinderjuffrouwen hun werk. In Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 9 januari 1920 staat een advertentie waarin wordt gezocht naar “Een zeebaboe, om direct in dienst te treden en met dame en twee kinderen mee te gaan naar Hongkong.”
Het Franse woord voor kindermeisje is nounou. Het komt uit de kindertaal en is een herhalende verkorting van de formelere term nourrice (‘kindermeisje, verpleegster’), dat teruggaat op het Laatlatijnse nutricia, in ouder Latijn: nutrix (‘voedster’). Ook het Engelse nurse (‘verzorgster, algemener: verpleegster’), dat aanvankelijk nurrice luidde, is ontleend aan het Franse nourrice. In het Engels werd onderscheid gemaakt tussen een ‘dry nurse’, die het kind verzorgde, en een ‘wet nurse’, die ook de borst gaf.
Het Latijnse woord voor ‘voedster’ komt in Nederland ook voor als merknaam: Nutricia. De N.V. Nutricia, opgericht in 1901, legde zich toe op zuigelingenvoeding uit koemelk, en later ook op snel toe te bereiden babyvoeding. De Latijnse naam onderstreepte de medisch-wetenschappelijke oriëntatie van het bedrijf. Talloze Nederlanders zijn grootgebracht met het Nutricia-product Olvarit (1946), een kant-en-klare babygroentevoeding. De naam is een combinatie van twee Latijnse woorden: olus (‘groente’) en variare (‘afwisselen’). Uit 1955 stamt Nutrix, een pap op basis van gekookte rijstebloem, uit 1965 Bambix, een instantbrij met graanvlokken. De fantasienamen met hun commerciële slot-x – die we ook aantreffen in heel andere productnamen, zoals Tampax en Rolex – zijn voor kleintjes lastig uit te spreken, maar nanny’s zijn met deze babyhapjes maar al te vertrouwd.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Nanny’, in: Onze Taal 9, 31.]

Nanny

Vroeger werd de kinderoppas ‘kindermeisje’ genoemd, maar sinds de jaren negentig is een andere term in zwang: nanny. Het woord is verbreid via advertenties waarin expats huishoudelijk personeel zoeken, maar ook door de televisieserie The Nanny en door Hansje Görtz, die na tweeënhalf jaar zorg voor de prinsessen Amalia, Alexia en Ariane in 2007 een eigen ‘nanny academy’ oprichtte. Waar komt het woord nanny vandaan?
Op 13 december 1692 noteerde staatsman en wetenschapper Constantijn Huygens jr. in zijn Journaal: “Gisteren kreegh 10 pond choccolate wederom van nicht Becker, en had Nanny, haer meidt, geweest om mij ’t geldt, dat van haer hebben most, te brengen.” Hier is Nanny een eigennaam. De Engelse meisjesnaam is afgeleid van Nan, op zijn beurt een troetelvariant van Ann(e). Omdat veel vrouwelijke huisbedienden in het Engels de voornaam Nan of Nanny hadden, verschoof de betekenis in de achttiende eeuw naar die van een beroepsaanduiding: ‘meid, kindermeisje’.

Non
Bij die ontwikkeling van meisjesnaam naar beroepsnaam kan de klank van het woord een belangrijke rol gespeeld hebben. In verschillende Indo-Europese talen komt namelijk nana of een vergelijkbaar woord voor als een oeroud kindertaalwoord ter aanduiding van vrouwelijke personen die niet de moeder zijn. Het Russisch heeft njanja (‘verzorgster’) en het Grieks nannē (‘tante’). In het Engels worden nan, nana, nanna en ook nanny sinds de negentiende eeuw gebruikt als vertrouwelijke aanspreekvormen voor de grootmoeder.
Ook het Latijn kende twee van zulke kinderwoorden: nonna en nonnus (respectievelijk ‘oudere vrouw’ en ‘oudere man’). Deze woorden hebben een bijzondere betekenisontwikkeling doorgemaakt. In het Italiaans, een dochtertaal van het Latijn, betekent nonna tegenwoordig ‘grootmoeder’ en nonno ‘grootvader’. In het kerkelijk Latijn werd de vorm nonnus vanaf de vijfde eeuw gebruikt om met respect en genegenheid een oudere kloosterling aan te duiden. De vrouwelijke vorm nonna, die de betekenis ‘kloosterlinge’ aannam, leeft in het Nederlands sinds de dertiende eeuw voort als non. In onze taal betekent non niet alleen ‘kloosterlinge’, het woord heeft ook opgang gemaakt als benaming voor een sierduivenras, een vlindersoort en een schelpdier.
Het Latijnse kindertaalwoord nonna heeft qua klank wel iets weg van het Latijnse mamma (‘vrouwenborst’, in kindertaal: ‘moeder’) en het Griekse pa(p)pas (‘vader’). De woorden mama en papa komen in veel talen voor; ze zijn meestal in de zeventiende eeuw ontleend aan het Franse mamman en papa. Hun populariteit (en die van nonna) is ongetwijfeld te danken aan de klankstructuur, die precies aansluit bij het eerste gebrabbel van kinderen.

Nutricia
Uit de koloniale tijd stamt een andere term voor kinderverzorgster: baboe. Het Nederlands-Indische woord komt uit het Javaans. Niet alleen in huis, maar ook op scheepsreizen verrichtten de Javaanse kinderjuffrouwen hun werk. In Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 9 januari 1920 staat een advertentie waarin wordt gezocht naar “Een zeebaboe, om direct in dienst te treden en met dame en twee kinderen mee te gaan naar Hongkong.”
Het Franse woord voor kindermeisje is nounou. Het komt uit de kindertaal en is een herhalende verkorting van de formelere term nourrice (‘kindermeisje, verpleegster’), dat teruggaat op het Laatlatijnse nutricia, in ouder Latijn: nutrix (‘voedster’). Ook het Engelse nurse (‘verzorgster, algemener: verpleegster’), dat aanvankelijk nurrice luidde, is ontleend aan het Franse nourrice. In het Engels werd onderscheid gemaakt tussen een ‘dry nurse’, die het kind verzorgde, en een ‘wet nurse’, die ook de borst gaf.
Het Latijnse woord voor ‘voedster’ komt in Nederland ook voor als merknaam: Nutricia. De N.V. Nutricia, opgericht in 1901, legde zich toe op zuigelingenvoeding uit koemelk, en later ook op snel toe te bereiden babyvoeding. De Latijnse naam onderstreepte de medisch-wetenschappelijke oriëntatie van het bedrijf. Talloze Nederlanders zijn grootgebracht met het Nutricia-product Olvarit (1946), een kant-en-klare babygroentevoeding. De naam is een combinatie van twee Latijnse woorden: olus (‘groente’) en variare (‘afwisselen’). Uit 1955 stamt Nutrix, een pap op basis van gekookte rijstebloem, uit 1965 Bambix, een instantbrij met graanvlokken. De fantasienamen met hun commerciële slot-x – die we ook aantreffen in heel andere productnamen, zoals Tampax en Rolex – zijn voor kleintjes lastig uit te spreken, maar nanny’s zijn met deze babyhapjes maar al te vertrouwd.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Nanny’, in: Onze Taal 9, 31.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

non zn. ‘kloosterzuster’
Mnl. nonne ‘kloosterlinge’ [1240; Bern.], moneke ende nonnen ‘monniken en nonnen’ [1265-70; VMNW]; vnnl. non ‘kloosterlinge’ [1624; WNT zon].
Ontleend, mogelijk via Frans nonne ‘kloosterlinge’, eerder al nune ‘id.’ [1155; TLF] (thans verouderd), aan Laatlatijn nonna ‘kloosterlinge’, vrouwelijke vorm van nonnus ‘monnik’, dat vanaf de 5e eeuw in gebruik was als term om met respect en genegenheid een in leeftijd oudere kloosterling aan te spreken; oorspr. zijn nonna en nonnus stamelwoorden uit de kindertaal voor ‘oudere vrouw’ en ‘oudere man’.
Vergelijkbare woorden in andere talen zijn bijv.: Engels nana ‘oma’; Italiaans nonno ‘grootvader’, nonna ‘grootmoeder’; Grieks nénnos ‘oom’, nánnē ‘tante’, nínnē ‘grootmoeder’; Sanskrit nanā ‘mama’; Russisch njánja ‘voedster, verzorgster’; Bulgaars neni ‘de oudere’; Noord-Welsh nain ‘grootmoeder’; Albanees nanë ‘moeder, verzorgster’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

non1 [kloosterzuster] {nonne 1201-1250} middelnederduits, oudengels nunne, oudhoogduits, oudnoors nunna < chr. latijn nonna [religieuze, non], grieks nanna [tante], perzisch naneh [moeder], oudnoors Nanna [godin, vrouw van Balder], welsh nain [grootmoeder]; een woord uit de kindertaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

non znw. v., mnl. nonne v., mnd. ohd. nunna (nhd. nonne), oe. nunne (ne. nun), on. nunna. — Waarsch. reeds in de 6de eeuw overgenomen < laat-lat. nonna, dat sedert Hieronymus († 420) aanspraaktitel van een kloosterlinge werd; het woord, eig. uit de kindertaal, was een uitdrukking van eerbied ‘eerbiedwaardige moeder’, vgl. ital. nonna ‘grootmoeder’ en nonno ‘grootvader’. — Afgeleide betekenissen zijn: ‘soort van duif; nonvlinder; gedraaide arm van een spinnewiel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

non znw., mnl. nonne v. = ohd. nunna (nhd. nonne), mnd., ags. nunne (eng. nun), on. nunna v. “non”. Vroege ontl. — wellicht gelijktijdig met monnik — uit rom. nŏnna = later-lat. nonna “non”, naast nonnus “monnik”: oorspr. wsch. aanspreekvormen voor oude, eerwaardige personen. Hieruit ook fr. nonne “non”, spa. ñoño “zeer oud”, it. nonno “grootvader”, nonna “grootmoeder” enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

non 1 v. (kloosternon), Mnl. nonne, in alle Eur. talen, uit Lat. nunnam (-a), Gr. nónna = moeder.

non 2 v., in alle andere bet. is hetz. w. als non 1, met zinspeling op de kleedij, het cœlibaat, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

non, zn.: draaitol, speeltol. Ook Ovl. Vnnl. nonne, top ‘draaitol’. Samenst. kapnon, klosnon (Schuermans). In Nederland is non ‘het knopje van de priktol’, syn. met kanunnik. E. vero. nun ‘tol’. Hetzelfde woord als non ‘kloosterlinge’, overdr. naar een of andere gelijkenis. Vgl. Gents papekul ‘met de pin omhoog (van de tol)’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

non, nun zn.: draaitol, speeltol. Vnnl. nonne, top ‘draaitol’. Samenst. kapnon, klosnon (Schuermans). In Nederland is non ‘het knopje van de priktol’, syn. met kanunnik. E. vero. nun ‘tol’. Hetzelfde woord als non ‘kloosterlinge’, overdr. naar een of andere gelijkenis. Vgl. papekul. De Tier 2007 wijst erop dat ook in de molenterminologie de staanders aan de trapleuning soms nonnen worden genoemd vanwege de kleuren zwart en wit, het zijn nl. zwarte paaltjes met een witte kop. Dat zou bij de draaitol ook een rol hebben kunnen gespeeld. Ww. nonnen, nunnen ‘met de priktol spelen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

non (W, ZV), nonne (L), zn.: draaitol, speeltol. Vnnl. nonne, top 'draaitol'. Samenst. kapnon, klosnon (Schuermans). In Nederland is non 'het knopje van de priktol', syn. met kanunnik. E. vero. nun 'tol'. Hetzelfde woord als non 'kloosterlinge', overdr. naar een of andere gelijkenis. Vgl. papekul.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

non s.nw.
Vrou wat 'n kloostergelofte afgelê het.
Uit Ndl. non (Mnl. nonne).
Ndl. non hou verband met Latyn nonna, oorspr. 'bejaarde vrou'.
D. Nonne, Eng. nun.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

non: vr. kloosterling; Ndl. non (Mnl. nonne), Hd. nonne, Eng. nun, It. nonna, “ouma”, Ll. nonna, “vr. kloosterling” (veral as aansprv.).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Non snw. Mansveld 113 vermeld ’n segsw. Hy is met die non, aangeklam, half dronk, wat nou in Afrikaans heeltemal verouderd skyn te wees. – Buitenrust Hettema het in Taal en Letteren I, 232, die Hollandse uitdrukking: “De zoak is op de non, loopt verkeerd,” verklaar as ontleen aan die tol-spel: “Non is het bovenste knopje van een (ouderwetschen?) tol (vgl. nog Boekenoogen 671); het kan gebeuren dat in plaats van op de spits de tol bij het “zetten” terecht komt op den kop, en dan “op de non”, d.i. verkeerd, “loopt”.” En reeds Harreb. II, 128: “Hij is op zijne non. (Dat wil zeggen: hij is gramstorig, wrevelig. Non is hier de “top van een” tol).” Ek meen dat ons die Afrikaanse uitdrukking hiermee in verband moet bring.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

non (Romaans nonna)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

non. In het zuiden van het taalgebied komt de weinig extatische bastaardvloek honderd zakken gort voor de nonnen voor. Men mag bij non natuurlijk aan ‘zuster, religieuze’ denken. Toch is het aannemelijker om in gort voor de nonnen een substituut te zien van godverdomme, waardoor de vloek iedere vlinderachtige lichtheid verliest. → gort, hond.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Non uit ’t Lat. nonna (Gr. nonna = moeder), een titel, die eerbied uitdrukt. Bijv. in ’t It. is nonna: grootmoeder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

non ‘kloosterzuster’ -> Indonesisch non ‘kloosterzuster’; Papiaments nònchi ‘kloosterzuster’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † nen ‘peettante’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

non kloosterzuster 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut