Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

non - (kloosterzuster)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

non zn. ‘kloosterzuster’
Mnl. nonne ‘kloosterlinge’ [1240; Bern.], moneke ende nonnen ‘monniken en nonnen’ [1265-70; VMNW]; vnnl. non ‘kloosterlinge’ [1624; WNT zon].
Ontleend, mogelijk via Frans nonne ‘kloosterlinge’, eerder al nune ‘id.’ [1155; TLF] (thans verouderd), aan Laatlatijn nonna ‘kloosterlinge’, vrouwelijke vorm van nonnus ‘monnik’, dat vanaf de 5e eeuw in gebruik was als term om met respect en genegenheid een in leeftijd oudere kloosterling aan te spreken; oorspr. zijn nonna en nonnus stamelwoorden uit de kindertaal voor ‘oudere vrouw’ en ‘oudere man’.
Vergelijkbare woorden in andere talen zijn bijv.: Engels nana ‘oma’; Italiaans nonno ‘grootvader’, nonna ‘grootmoeder’; Grieks nénnos ‘oom’, nánnē ‘tante’, nínnē ‘grootmoeder’; Sanskrit nanā ‘mama’; Russisch njánja ‘voedster, verzorgster’; Bulgaars neni ‘de oudere’; Noord-Welsh nain ‘grootmoeder’; Albanees nanë ‘moeder, verzorgster’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

non1 [kloosterzuster] {nonne 1201-1250} middelnederduits, oudengels nunne, oudhoogduits, oudnoors nunna < chr. latijn nonna [religieuze, non], grieks nanna [tante], perzisch naneh [moeder], oudnoors Nanna [godin, vrouw van Balder], welsh nain [grootmoeder]; een woord uit de kindertaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

non znw. v., mnl. nonne v., mnd. ohd. nunna (nhd. nonne), oe. nunne (ne. nun), on. nunna. — Waarsch. reeds in de 6de eeuw overgenomen < laat-lat. nonna, dat sedert Hieronymus († 420) aanspraaktitel van een kloosterlinge werd; het woord, eig. uit de kindertaal, was een uitdrukking van eerbied ‘eerbiedwaardige moeder’, vgl. ital. nonna ‘grootmoeder’ en nonno ‘grootvader’. — Afgeleide betekenissen zijn: ‘soort van duif; nonvlinder; gedraaide arm van een spinnewiel’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

non znw., mnl. nonne v. = ohd. nunna (nhd. nonne), mnd., ags. nunne (eng. nun), on. nunna v. “non”. Vroege ontl. — wellicht gelijktijdig met monnik — uit rom. nŏnna = later-lat. nonna “non”, naast nonnus “monnik”: oorspr. wsch. aanspreekvormen voor oude, eerwaardige personen. Hieruit ook fr. nonne “non”, spa. ñoño “zeer oud”, it. nonno “grootvader”, nonna “grootmoeder” enz.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

non 1 v. (kloosternon), Mnl. nonne, in alle Eur. talen, uit Lat. nunnam (-a), Gr. nónna = moeder.

non 2 v., in alle andere bet. is hetz. w. als non 1, met zinspeling op de kleedij, het cœlibaat, enz.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

non s.nw.
Vrou wat 'n kloostergelofte afgelê het.
Uit Ndl. non (Mnl. nonne).
Ndl. non hou verband met Latyn nonna, oorspr. 'bejaarde vrou'.
D. Nonne, Eng. nun.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

non: vr. kloosterling; Ndl. non (Mnl. nonne), Hd. nonne, Eng. nun, It. nonna, “ouma”, Ll. nonna, “vr. kloosterling” (veral as aansprv.).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Non snw. Mansveld 113 vermeld ’n segsw. Hy is met die non, aangeklam, half dronk, wat nou in Afrikaans heeltemal verouderd skyn te wees. – Buitenrust Hettema het in Taal en Letteren I, 232, die Hollandse uitdrukking: “De zoak is op de non, loopt verkeerd,” verklaar as ontleen aan die tol-spel: “Non is het bovenste knopje van een (ouderwetschen?) tol (vgl. nog Boekenoogen 671); het kan gebeuren dat in plaats van op de spits de tol bij het “zetten” terecht komt op den kop, en dan “op de non”, d.i. verkeerd, “loopt”.” En reeds Harreb. II, 128: “Hij is op zijne non. (Dat wil zeggen: hij is gramstorig, wrevelig. Non is hier de “top van een” tol).” Ek meen dat ons die Afrikaanse uitdrukking hiermee in verband moet bring.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

non (Romaans nonna)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

non. In het zuiden van het taalgebied komt de weinig extatische bastaardvloek honderd zakken gort voor de nonnen voor. Men mag bij non natuurlijk aan ‘zuster, religieuze’ denken. Toch is het aannemelijker om in gort voor de nonnen een substituut te zien van godverdomme, waardoor de vloek iedere vlinderachtige lichtheid verliest. → gort, hond.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Non uit ’t Lat. nonna (Gr. nonna = moeder), een titel, die eerbied uitdrukt. Bijv. in ’t It. is nonna: grootmoeder.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

non ‘kloosterzuster’ -> Indonesisch non ‘kloosterzuster’; Papiaments nònchi ‘kloosterzuster’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † nen ‘peettante’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

non kloosterzuster 1240 [Bern.] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut