Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nomade - (rondzwervende veehoeder)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nomade zn. ‘rondzwervende veehoeder’
Vnnl. nomade ‘lid van een steppevolk’ in Nomaden ... Scythen en Hunnen [1682; WNT snarren]; nnl. ‘lid van een historisch volk zonder vaste woonplaats’ in de Vlamen, de Teutones en Nomaden [1788; WNT vlaam], nomade ‘rondtrekkende veehoeder’ in nomaden of herdervolken [1809; WNT generen].
Ontleend, mogelijk deels via Frans nomade ‘lid van volk zonder vaste woonplaats’ [1540; TLF], aan klassiek Latijn nomas (genitief nomadis) ‘rondtrekkende herder’, in het meervoud vooral als naam van trekkende herdersvolkeren in de periferie van het keizerrijk, zoals in Noord-Afrika. Latijn nomas is ontleend aan Grieks nomás (genitief nomádos) ‘rondtrekkende herder’, verwant met némein o.a. ‘grazen’, verwant met → nemen.
In de oudste Nederlandse citaten worden Nomaden in één adem genoemd met allerlei “ongecultiveerde” volkeren en is het niet hun trekkende levenswijze die ter sprake komt.
Met nomade zijn een aantal doorzichtige samenstellingen gevormd, waarvan stadsnomade ‘stadsbewoner zonder vaste woon-of verblijfplaats; zwerver’ [1993; De Coster 1999] de modernste is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nomade [rondzwervende steppebewoner] {1682} < frans nomade < latijn nomas (2e nv. nomadis) < grieks nomas [kudden weidend, rondzwervend], van nomos [weide], van nemein (vgl. noma), waarvan de eerste betekenis is ‘het in bezit nemen van een stuk land’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nomade s.nw.
Groep wat nie 'n vaste woonplek het nie en 'n swerfbestaan voer.
Uit Ndl. nomade (1682).
Ndl. nomade uit Fr. nomade uit Latyn nomas (genitief nomadis) 'iemand wat rondswerf op soek na weiding'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nomade (Frans nomade)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nomade rondzwervende steppe- of woestijnbewoner 1682 [WNT snarren] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal