Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

noest - (arbeidzaam)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

noest [arbeidzaam] {1653} uit in oest, oest [oogst] (vgl. oogst).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

noest

Het woord noest wordt tegenwoordig alleen nog gebezigd in de verbindingen: met noeste vlijt en: met noeste ijver. Men verstaat er onder: arbeidzaam, bedrijvig, naarstig. Het woord wordt in verband gebracht met het zelfstandig naamwoord oest, een bijvorm van oogst. Noest verhoudt zich dan tot oest als nijver tot ijver en als naarstig tot ernstig. De n waarmee de woorden noest, nijver en naarstig beginnen, wordt verklaard als een rest van het voorzetsel in, zodat de ontwikkeling geweest kan zijn: in ernst → nernst → nernstig → naernstig → naarstig. Zo wordt noest opgevat als ontstaan uit in oest of in den oest. De betekenisontwikkeling van: in de tijd van de oogst tot: arbeidzaam, druk bezig is begrijpelijk. Op dezelfde wijze verklaart men nijver uit in ijver.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

noest 2 bnw., eerst na Kiliaen, mogelijk eig. hollands, is op te vatten als ontstaan uit in oest, dat wil zeggen ‘in de oogsttijd’ (zie: oogst). — Dus eenzelfde ontwikkeling als in nijver.

Het schijnt niet nodig voor de bet. te denken aan woorden als nijver en naarstig, daar de zware arbeid in de oogsttijd vanzelf kon leiden tot een bet. ‘met grote vlijt en moeite werkzaam’. — Dial. (Wormer) is de bet. ‘wild, woest, doldriftig’, stellig secundair (onder invloed van woest?).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

noest II bnw., sedert ’t Oudnnl., niet bij Kil., wellicht ’t oudst in het Holl. Staat tot oest (zie oogst) als nijver tot ijver. Op de bet. hebben wellicht nijver en naarstig invloed gehad. De dial. bet. (De Wormer) “wild, woest, doldriftig” moet secundair zijn (vgl. de ruime bet.-sfeer der bij nijver besproken woorden).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

noest 2 bijv.(naarstig), bij Bredero noost, uit voorz. en (z. nevens) en oest = oogst.

oest 2 bijv., door aphaerese uit noest 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

noeste b.nw. (slegs attr.; enigsins formeel)
Wat vlytig of ywerig is.
Uit Ndl. noeste (1779), die verboë vorm van noest (1653),'n sametrekking van die voors. in en oest 'oes', met lg. wat ook 'vlytig, ywerig' beteken omdat mense in oestye vlytig en ywerig moes werk. Die b.nw. word in Ndl. ook pred. gebruik.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

noeste: alleen attr. en verboë, “fluks, vlytig, ywerig”; Ndl. (na Kil) noest, blb. d. eerste in Holl. aanget. en tot nog toe geen ander verkl. nie as dat dit deur metan. ontst. het uit verbg.: in oest, d.w.s. “in die oestyd”, dus ong. “bedrywig”.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Noest (ijverig) staat waarschijnlijk voor in oest = in den oogst, den drukken tijd. Zie ook: Weg; Naarstig en Nijver. Vgl. Bredero: „Hij heeftet dapper noest” = erg druk.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

noest arbeidzaam 1653 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut