Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nobel - (edel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nobel bn. ‘edelmoedig’
Mnl. nobel ‘edel, van aanzienlijke afkomst’, als toenaam in pieter nobel ende sine broder ... kindre ‘Pieter Nobel en de kinderen van zijn broer’ [1285-86; VMNW], ‘aanzienlijk, belangrijk’ in Brucghe, die nobele stat ‘de aanzienlijke stad Brugge’ [1350-1400; MNW-R], in het dierenepos Van den Vos Reinaarde als naam van de leeuw: Nobel die coninc ‘koning Nobel’ [1380-1425; MNW]; vnnl. nobel ‘edelmoedig, vrijgevig’ [1599; Kil.], onze nobelste en genereuste actien ‘onze edelmoedigste daden’ [1698; WNT].
Ontleend aan Frans noble ‘naam van de koning der dieren in de roman de Renart’ [ca. 1179; TLF], eerder al het bn. noble ‘voortreffelijk, uitmuntend’ [ca. 1050; TLF], en ‘adellijk’ [1216; TLF], geleerde ontlening aan Latijn nōbilis ‘van goede geboorte’, ouder gnōbilis ‘bekend, vermaard’, afleiding van (g)nōscere ‘kennen’, verwant met → kunnen.
Latijn nōbilis betekent ‘bekend, beroemd, illuster’ en later bij uitbreiding ‘van goede familie’. In het Laatlatijn werd het woord in het Frankische rijk gebruikt om de leden van de erfelijke Germaanse adel aan te duiden [501-518; TLF] en later in het middeleeuws Latijn de feodale adel [1012-23; TLF].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nobel2 [edel] {1477} < frans noble < latijn nobilis [bekend, vermaard, adellijk, edel], van het ww. noscere < gnoscere [leren kennen, herkennen, erkennen], verwant met grieks gignōskein [leren kennen] (vgl. kunnen, kennen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nobel bnw., mnl. nobel < fra. noble < lat. nobilis. In het nhd. eerst in de 17de eeuw overgenomen. — De muntnaam nobel (sedert 1388 geslagen) zal wel uit het eng. stammen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nobel bnw. Vroegnnl. (of mnl.? Teuth. nobel “nobilianus”?) uit fr. noble (< lat. nôbilis); ook elders ontleend. Mnl. Nobel “naam van den leeuw” ook uit ’t Fr.; de muntnaam nobel wsch. uit ’t Eng. ontleend (2. helft 14. eeuw): in Engeland is de nobel ’t oudst, bij ons sedert 1388 geslagen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nobel b.nw.
Edel, edelmoedig.
Uit Ndl. nobel (al Mnl.).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nobel (Frans noble)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nobel ‘edel’ -> Fries nobel ‘edel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nobel edel 1477 [Teuth.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut