Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

niveau - (hoogte, peil)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

niveau zn. ‘hoogte, peil’
Nnl. niveau ‘peil, stand, hoogte’ [1832; Weiland], dan ook ‘peil van ontwikkeling, maatschappelijke rang, enz.’ in om hen (inlanders) tot hun eigen niveau op te heffen [1864; WNT nivelleeren], ‘prijs, waarde’ in staatsfondsen ... het vorig niveau weer bereiken [1890; Groene Amsterdammer], ‘kwaliteit’ in (romans van Couperus) ... een niveau apart [1934; WNT Aanv. detail], het niveau van de sociologie-beoefening (is) in het geding [1962; WNT Aanv. concretiseeren].
Ontleend aan Frans niveau ‘hoogte, peil’ [1637; TLF], eerder al nivel ‘id.’ [1429; TLF], nevel ‘waterpas, hoogtemeter’ [1343; TLF] en nyviel ‘id.’ [1311; TLF], ontstaan door dissimilatie, waarbij de eerste l- werd vervangen door n-, uit livel [13e eeuw; TLF], ontwikkeld uit vulgair Latijn *libellum, klassiek Latijn lībella ‘waterpas, schietlood; hoogte’, verkleinwoord van lībra ‘weegschaal’, maar ook ‘paslood’, een woord van verder onbekende herkomst. Uit de betekenis ‘waterpas, hoogtemeter’ ontstond bij overdracht de betekenis ‘hoogte, peil’.
Er zijn talloze samenstellingen gevormd waarin het woord als tweede lid voorkomt, zoals beschavingsniveau [1854; WNT beschaving] gespreksniveau [1948; WNT Aanv. bête II], opleidingsniveau [1965; WNT Aanv. opleiding], regeringsniveau, voorzieningenniveau enz.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

niveau [peil] {1847} < frans niveau < oudfrans nivel, gedissimileerd uit ouder livel < latijn libella [weegschaaltje] (vgl. libel3 [insect]).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

niveau s.nw.
Peil waarop iemand of iets is t.o.v. ontwikkeling, rang of bekwaamheid.
Uit Ndl. niveau (1847).
Ndl. niveau uit Fr. niveau uit nivel, gedissimileerde vorm van ouer livel uit Latyn libella 'skaaltjie'.

Thematische woordenboeken

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Niveau (Fr.; = vulgair Lat. libéllum; Lat. libélla = dem. v. líbra = balans; het Franse livel (en liveau) werd door dissimilatie nivel en niveau). Waterpas, peil, vloeistof spiegel.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Niveau (Fr. niveau; < Lat. libella, dem. van libra = balans). Eig. Instrument, om na te gaan of een vlak horizontaal is. Vd. peil.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

niveau ‘peil’ -> Indonesisch nivo ‘peil’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

niveau peil 1847 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut