Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

-nis - (achtervoegsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

-nis achterv. dat zn. vormt
Onl. -nussi [10e eeuw; W.Ps.], -nisse [950-1000; Pr.gloss.], -nesse [1151-75; CG II-1, 135]; mnl. -nesse (vooral westelijk), -nisse; nnl. -(e)nis.
Os. -nissi, -nessi, -nussi (mnd. -nisse, -nesse, -nüsse); ohd. -nissi, -nessi, -nassi, -nussi (nhd. -nis); ofri. -nisse; oe. -nes (ne. -ness ‘-heid’, zeer productief); got. -nassus; < pgm. *-n-assu-. Het achtervoegsel luidde oorspr. -assu-, zoals nog te zien is in got. ufar-assus ‘overvloedigheid’ bij ufar ‘over’. In combinatie met naamwoord- of werkwoordstammen op -n, zoals in got. ibn-assus ‘gelijkheid’ bij ibn- ‘gelijk’ of blotinassus ‘verering’ bij blotan ‘vereren’, kon de -n- geherinterpreteerd worden als deel van het achtervoegsel. In de oudste taalfasen van het West-Germaans komt het achtervoegsel al uitsluitend mét -n- voor.
Pgm. *-assu- gaat terug op ouder *-ad-tu-, waarin -ad- een Germaans achtervoegsel is waarmee werkwoorden uit bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd (Gotisch -atjan) en -tu- een achtervoegsel is voor verbaalabstracta. De klinkervariatie in het achtervoegsel binnen de Germaanse talen is wellicht te verklaren door aan te nemen dat de oorspronkelijke -a- in midden-woordpositie al vroeg verzwakt werd tot een onbeklemtoonde sjwa of doordat het achtervoegsel werd uitgebreid met een j, waardoor umlaut optrad; de diverse klinkers zijn dan slechts orthografische varianten.
Dit achtervoegsel is tot in de Vroegnieuwnederlandse periode zeer productief geweest. Veel woorden op -nis, zoals bederfenis, bewegenis, verbolgenis zijn inmiddels uit het Nederlands verdwenen. Het kwam aanvankelijk vooral voor in combinatie met bijvoeglijke naamwoorden en verleden deelwoorden: duisternis, gelijkenis, gewezenis (‘aanwezigheid’) komen reeds in het Oudnederlands voor. Later ontstonden ook afleidingen van presensstammen, bijv. beeltenis, lafenis, betekenis, verbintenis, verdoemenis. Bij wildernis is (naar analogie van duisternis, hindernis) een r ingevoegd; zie verder → schennis (< mnl. schendenisse), → vonnis (< mnl. vontnisse). Een voorafgaande stemhebbende medeklinker werd soms verscherpt; vervolgens werd er een -e- ingevoegd als overgangsklank: verbind-nis > verbint-nis > verbintenis. Zo ook erfenis, gebeurtenis, lafenis, droefenis. Later is het verlengde achtervoegsel -enis ook direct achter de stam gezet, waarbij verscherping achterwege bleef: belijdenis, besnijdenis, geschiedenis. In navolging van verbintenis werd bovendien een achtervoegsel -tenis gevormd, zoals in bekentenis, erkentenis, gebeurtenis.
Afleidingen op -nis duiden meestal een hoedanigheid of toestand aan net als → -heid: gelijkenis, duisternis. Soms wordt een zaak bedoeld die tot het stamwoord in betrekking staat: gevangenis, beeltenis. Beide betekenissen komen al in het Oudnederlands voor. In het Middelnederlands verschijnen ook afleidingen die een handeling of werking aanduiden, bijv. verrijzenis, vergiffenis.
Lit.: P. Gerlach Royen (1953), Taalrapsodie. Taalkundige en didaktische varia van her en der, Bussum, 599-602; Van der Sijs 2001, 166-167

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

-nis* [achtervoegsel ter vorming van zn.] {oudnederlands -nussi, -nissi- in bv. thusternussi [duisternis] 901-1000, middelnederlands -nisse, -nesse} oudsaksisch -nussi, -nissi, -nessi, oudhoogduits -nissi, -nussi, -nassi, -nessi (hoogduits -nis), oudengels -nes, gotisch -nassus (engels -ness), vgl. droefenis, kennis, gevangenis.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nis 2 achterv. mnl. -nisse, -nesse v. o., onfrank. -nussi, -nissi o. (v.?), os. -nussi, -nissi-, nessi, -nussia, -nissia, -nessia, ohd. -nissī o., -nissi, nissa v., ofri. -nisse, -nesse v., oe. -nes v. (ne. -ness). Het westgerm. suffix gaat terug op een vorm zoals got. -inassus in afl. zoals þiudinassus ‘rijk’ van þiudanōn ‘heersen’, waarin het suffix dus eigenlijk -assus is, ontstaan uit idg. at-tu, dwz. een suffix -tu verbonden met -at, geabstraheerd uit ww. op -atjan vgl. got. lauhatjan ‘bliksemen’ en gr. akontizō ‘de werpspiets slingeren’ bij akontistus ‘het werpen met de werpspeer’. Uit woorden met het suffix -assus achter een stamelement op -in werd nu een suffix -inassus geabstraheerd, zoals got. waninassus ‘gebrek’ van wans ‘ontbrekend’. — Het suffix had in het wgerm. de vormen (n)issu, (-n)ussu, komt vaak voor in het oe., minder talrijk in nd. en hd. en ontbreekt in het ngerm.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

-nis II suffix, mnl. -nisse, -nesse v. o. = onfr. -nussi, -nissi o. (en v.?), ohd. -nissi o., -nissî, -nissa v. (nhd. -nis), os. -nussi(a), -nissi(a), -nessi(a) v., ofri. -nisse, -nesse v., ags. -nes v. (eng. -ness). De wgerm. -ia-, -iô-, -în-stammen zijn afgeleid van resp. vervormd uit oergerm. u-stammen. Het suffix -nassu- (zoo in het Got., bijv. blotinassus m. “vereering”), waarnaast (wsch. secundair) -nissu-, -nussu-, is geabstraheerd uit vormen als got. þiudinassus m. “koninkrijk”, die met suffix -assu- van n-stammen gevormd waren. De oudste nomina op -assu- ontstonden wsch. uit voorgerm. afll. met -tu- van ww.-stammen op idg. d (germ. ww. op -atjanan) (zooals got. ibnassus m. “gelijkheid”: ags. ëmnettan “adaequare”).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal