Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nippertje - (ogenblik)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nippen ww. ‘een slokje drinken; erop aankomen’
Vnnl. nippen, neppen ‘drinken, zuipen’ in eens lustich te neppen ‘eens flink te gaan zuipen’ [1644; WNT], die wat te veul enipt heit ‘die iets te veel gedronken heeft’ [1653; WNT]; nnl. nippen ‘kleine teugjes drinken’ in waar vlinder en bij nippen aan lelie- en rozekelken [ca. 1860; WNT]. Daarnaast in de betekenis ‘erop aankomen’ in nnl. als het nipt en wedernipt ‘als het erop aankomt’ [1793; WNT weder III], meer dan eens stond de krijgskans op 't nippen ‘... meer dan eens dreigden de oorlogskansen te keren’ [1841; WNT].
In beide betekenissen is het woord wrsch. een expressieve nevenvorm van → nijpen. Voor de betekenis ‘drinken’ moet men dan misschien denken aan de oude betekenis nijpen ‘knijpen’ (het samenknijpen van de lippen). De betekenis ‘erop aankomen’ is ook al eigen aan nijpen, zie aldaar een citaat uit 1601.
op het nippertje bw. ‘ternauwernood, op het laatste moment’. Nnl. op het nijpertje [1864; Calisch], dat gaat op het nippertje af, het was maar bij den nipper af ‘dat ging maar net goed’ [1871; WNT weder III], op het laatste nippertje ‘nauwelijks voor het einde, net op tijd, op het laatste moment’ [1883; Groene Amsterdammer], ik was juist, op het nippertje af, “stemgerechtigde” ‘... nog maar sinds kort ...’ [1884; Groene Amsterdammer]. Afleiding van nippen. ♦ nipt bn. ‘krap’. Nnl. een zeer nipte zege [1945; WNT Aanv.]. Afleiding van het bijwoord nipte in de gewestelijke Zuid-Nederlandse uitdrukking het gaat nipte ‘het is op het randje (bijv. bij een strijd waarin de tegenstanders nagenoeg even sterk zijn)’ [1873; WNT nip III]. Ontstaan in België, en via de sportjournalistiek ook in het NN bekend geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nippertje* [ogenblik] {1894} van nippen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nippertje znw. o. is afgeleid van nippen, vgl. mnl. alst comt aent nipen ‘als de nood nijpt’, fri. op ’t nipen of ‘op ’t nippertje’, zuidnl. dial. op het nippen, nipken, knipken komen ‘op ’t nippertje komen’, de. paa nippet, vgl. ode. nip ‘uiterste punt’ naast nibbe ‘spits, punt’ (waarvoor zie ook: neb).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nippertje znw. o. Van nippen. Vgl. mnl. alst comt aent nîpen “als de nood nijpt”, nnl. het begint te nijpen, fri. op ’t nipen ôf “op ’t nippertje”, zuidndl. dial. op het nippen, nipken, (leste) knipken komen “op ’t nippertje komen”, de. paa nippet “op het punt”, brab., Antw. nip “op ’t uiterste puntje” (Antw. ook “nauw” en “gierig” en nippig, nips(ch) “gierig”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nippertje o., behoort bij nippen, van nijpen; neep heeft dezelfde beteekenis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nipperke (zn.) nippertje; Nuinederlands nippertje <1864>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

nippertjie s.nw.
Laaste oomblik (slegs in die uitdr. op die nippertjie).
Uit Ndl. nippertje (1871), wat ook slegs in die uitdr. op het nippertje voorkom, 'n afleiding van die ww. nippen (1644) 'benouend, kwellend druk', wat 'n intensief is van nijpen 'kwel' wat naas knijpen 'knyp' staan.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

nippertje In 1928 voor het eerst opgetekend, in het Fries, als nipperke. Het woord is afgeleid van het werkwoord nippen ‘met klein teugjes drinken’. Begin jaren zestig is het ook in Zuid-Holland gesignaleerd. Het Amerikaans-Engels kent het woord nipper voor ‘borrel’.

[WFT nipperke]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nippertje ‘ogenblik’ -> Deens † på nippet ‘op het nippertje, nog net op tijd; het gewicht van de weegschaal is in balans’; Noors på nippet ‘op het nippertje, nog net op tijd’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

krieltje [kleine, nieuwe aardappel] (1874). Krieltje was een van de nieuw beschreven woorden in het in 1874 gepubliceerde Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal van J.H. van Dale (1828-1872) – het woordenboek dat later later de Grote Van Dale genoemd zou worden. Het werd na de dood van Van Dale door zijn assistent Jan Manhave voltooid. Het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal was een bewerking van een ouder woordenboek, uit 1864, van de neven I. M. Calisch en N. S. Calisch, en geldt dan ook tegenwoordig formeel als de tweede druk van Van Dale. In dit woordenboek werden vele Nederlandse woorden voor het eerst lexicografisch beschreven, zelfs heel gewone woorden, zoals krieltje. Andere woorden die in 1872 voor het eerst werden opgenomen, waren: bullen (‘spullen’), dwarsbomen, gegeven (‘grootheid, bekend geval’), kantje (‘haringvaatje’), keihard , moeren (‘kapot maken’), muisjes (‘gesuikerde anijszaadjes’), nippertje, snuiter (‘kwant’) en uitentreuren.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nippertje* ogenblik 1872 [GVD]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1638. Op het nippertje.

In de zegswijze: dat is op 't nippertje, d.i. de zaak lijdt geen uitstel; ook: het is nog precies op tijd; bij Harreb. II, 127: dat is op het nijpertje; fri. op 't nipen ôf (vgl. mnl. als 't comt aent nijpen, als de nood nijpt, op het hoogst is); Gunnink, 174: op 't nipetien. Ook het scheelde geen nippertje of (o.a. Diamst. 309), het scheelde weinig of. In Zuid-Nederland zegt men: het stak nip (nauw); het komt er nip op aan; gij hebt het daar zoo nip of op het nipken gezet, het zou kunnen vallen; nip, nipte, nips, nippens, knippens, op het nippeke staan, zoo nauw op het nip of uiterste punt staan, dat het gemakkelijk kan vallen (Schuermans, 411 b; Bijv. 210; Antw. Idiot. 859). Op het nipken (nippen) komen, op het uiterste oogenblik komen, waarvoor elders gebruikt wordt: op het (leste) knipken komen (Schuermans, 263 b; Waasch Idiot. 355; 459), op het knippen, - den knip komen; in Twente: op 'n knippert. De Bo citeert 543 en 744: op den nip, knip, op het nippen, nipte, nip, nippens staan; Rutten 117: op den knip; Tuerlinckx, 329: oep de knip, 't knippe; Teirl. 156: op 't leste knipke, op 't nipje; Waasch Idiot. 459: 't is op 't nipste koordeken, op 't laatste oogenblik. Eig. wil de uitdrukking zeggen: op het punt van knippen, nippen, d.i. als het begint te nijpen; als 't nipt of als 't nipt en weer nipt (18de eeuw; Opprel, 73 en fri. as 't nypt en wer nypt, als de nood aan den man komt, op 't uiterste oogenblik (Franck - v. Wijk, 460; Ndl. Wdb. IX, 2022-2023). Vgl. de synoniemen: op het leste spreutje; op het hippen (Schuerm. 664 a; 189 a); in het Friesch: op 't hipke. Zie ook De Jager, Frequ. I, 431, die uit de Duitsche dialecten citeert op het Nippe stohn, auf der Spitze stehen; op et Nippe kommen, im letzten entscheidenden Augenblicke kommen, en een adj. adv. nipp, nip, nipe, nauwkeurig, stipt, scherpVgl. Schiller und Lübben III, 188 b en Grimm, VII, 852., dat blijkens het bovenstaande ook in Zuid-Nederland bekend is en in Groningen in de uitdr. nip toukieken, nauwkeurig, terdege bekijken (Molema, 210); Ten Doornk. Koolm. II, 220 a: up de kippe (spitze) stân, op het punt staan van te vallen, te kantelen; Rutten, 112 b: op het kippen (ook bij Tuerlinckx 317; Antw. Idiot. 651), op 't punt van te gebeuren. Vgl. eng. in the very nick; fri. op 't nipperke (ôf).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut