Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nikker - (neger)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nikker zn. ‘zwarte’
Mnl. necker, nicker in de betekenis ‘waterdemon’ in necker ‘zeegodheid’ [1240; Bern.], ook ‘(kwade) kabouter’ in coubouten, alven, nickers ‘kobolden, alven, kabouters’ [1300-50; MNW], duvels of neckers ‘duivels of demonen’ [ca. 1460; MNW]; vnnl. necker, nicker ‘duivel’ in doet meer schaden dan hondert neckers [1528; WNT], de nicker met syn moer ‘de duvel en zijn moer’ [1612; WNT]; nnl. nicker, nikker ‘(zwarte) duivel’ in zoo swart als ... de nikker ‘zo zwart als de duivel’ [1708; WNT], 'k heb hem zo zwart gemaakt ... als een nikker ‘... afgeschilderd als een duivel’ [1756; WNT vrouwvolk], nikker ‘neger’ [1828; Toll.], ‘gekleurd persoon (denigrerend)’ in een heer uit de Oost, een zwarte prins ... zoo'n nikker ... in zijn apenland! [1881; Groene Amsterdammer], ook nog wel ‘duivel’ in volksbenamingen (voor den duivel) zijn ... droes, drommel ... heintje ... nikker ... zwarte piet [1915; WNT zwart I].
Mnl. nicker, necker is een erfwoord dat in de Germaanse talen een fabelachtig waterdier of een waterdemon aanduidt en in het Nederlands meer algemeen een monster, duivel of kwade geest gaat aanduiden; deze betekenis begint pas aan het eind van de 19e eeuw te verdwijnen. Nikker in de betekenis ‘neger’ (denigrerend) is ontleend aan Engels nigger, een intensiefvorming bij negro, zie → neger, onder invoed van nikker en de al zeer lang bestaande vaste uitdrukking zo zwart als de nikker of zo zwart als een nikker.
Mnd. necker ‘watermonster’; ohd. niccus ‘watermonster, krokodil’ (nhd. Nix(e) ‘watergeest’); oe. nicor ‘nijlpaard, watermonster’; on. nykr ‘watermonster, watergeest’ (nzw. näck); < pgm.*nikwiz-, *nikus-.
Verwant met: Grieks niptein ‘wassen’; Sanskrit nenikté ‘hij wast zich’; Oudiers nigid ‘hij wast’; < pie. *neigw- ‘wassen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nikker2 [neger] {1828} < engels nigger (vgl. neger), mogelijk o.i.v. nikker1 [watergeest].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nikker 2 znw. m. intensief van neger.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

neger [zwarte]. Ik begrijp volstrekt niet, waarom Weiland en Lexer (in Grimms Deutsches Wörterbuch), dit woord van het Franse nègre afleiden. Nègre is de verfranste, gelijk het Hoog- en Nederduitse neger de verduitste vorm is van het Portugese (ook in het Spaans, Italiaans en, behoudens de wijziging van de uitspraak, in het Engels onveranderd gebruikte) negro. Niet aan de Fransen, maar aan de Portugese zeevaarders hebben wij onze eerste kennis van West-Afrika te danken. Negro betekent ‘zwart, een zwarte’ en stamt af van het Latijnse niger. Met neger komt overeen het Arabische aswado, meervoud soedân, vanwaar biladoe’s-Soedân, het land van de zwarten of negerland.

De geografische bepaling van de naam Negerland is zeer moeilijk. Men gaf lange tijd de naam van Negers aan alle zwarte stammen van Afrika, en velen doen dit nog heden. De etnologen echter beperken de naam Neger tot de koolzwarte stammen die ten zuiden van de Sahara tot omstreeks de evenaar wonen. Deze vormt, zeer ruw genomen, de grens tussen de Neger- en de in vele opzichten van hen verschillende Bantoe-stammen, die zich uitstrekken tot Afrika’s zuidspits, behalve dat de zuidwesthoek door de Hottentotten en met hen verwante Bosjesmannen bewoond wordt. Ten noorden van de Negers wonen Semitische en Hamitische stammen, verspreid onder hen Nubiërs en Fellatah (Nuba-Fulah-volken). Wenselijk ware het dat zich het gewone spraakgebruik naar die wetenschappelijke onderscheiding richtte. Vergelijk mijn opmerkingen in D. Veth’s reizen in Angola, p. 335-337.

Heeft ons de Kaapkolonie in contact gebracht met de Zuid-Afrikaanse stammen, onze voormalige bezittingen op de kust van Guinea plaatsten ons temidden van echte negers. Ook daar zijn uit de vermenging van blanken en zwarten een zeker aantal kleurlingen gesproten, die eveneens, naar de graad van de vermenging, verschillende namen dragen, welke niet geheel met de benamingen in Oost- en West-Indië gebruikelijk overeenstemmen. Ik lees daaromtrent bij De Marrée, De Goudkust, deel II, p. 135: ‘de dochter door eenen Blanke bij eene Negerin verwekt, is eene Tapoeijerin — bij eene Tapoeijerin, Mulattin46 — bij eene Mulattin, Castiessin — en bij eene Castiessin wederom Blanke. De dochter van eenen Tapoeijer of Mulat bij eene Negerin noemt men Caboegerin.’ Uit hetgeen voorafgaat blijkt echter dat Mulat, daargelaten de speciale betekenis hier vermeld, ook de algemene naam is van afstammelingen van blanken en zwarten.

Caboeger (er staat eigenlijk Cabocger, maar dat zal wel een drukfout zijn) schijnt mij hetzelfde als het in West-Indië gebruikte Karboeger, waarvan ik hierboven in een afzonderlijk artikel gesproken heb. Evenals deze naam moet ook Tapoeier uit Amerika afkomstig zijn. Het is oorspronkelijk de naam van een zeer woeste stam van Indianen, die onze bondgenoot was in onze oorlogen met de Portugezen in Brazilië. De Portugezen schrijven hun naam Tapuya. Zie over hen onder andere Van Kampen Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa, p. 411, 425, 433, 446, enz. Hoe deze namen naar Afrika gekomen zijn, kan ik evenmin verklaren als de betekenis waarin zij gebruikt worden.

De Engelse populaire vorm nigger voor neger en de omstandigheid dat de duivel gewoonlijk als zwart wordt beschreven, zouden ons bijna verleiden enig verband te zoeken tussen de Neger en de zwarte Nikker. Doch de Germaanse oorsprong van Nikker (bij Vondel Peter en Pauwels, II, 135, ook Ikker47 geschreven), verwant met het Zweedse nĕk, nek, het Engelse nick (old nick), het Hoogduitse Neck, Necker, Nicker, Nixe enz., alles benamingen voor boze geesten, staat te vast om enige twijfel toe te laten. [V]

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nikker: neger (van het Latijnse woord niger, zwart). Als vertaling van het Engelse woord nigger. Dit scheldwoord werd al opgetekend in 1828. Vroeger was het ook een benaming voor een watergeest of duivel. Vgl. neger*.

Welk vermaak kan zij (t. w. Desdemona) hebben met op den duur dien zwarten nikker te bekijken? (J. van Lennep: Poët. Gedateerd volgens de oorspr. uitgaven. Het 12de deel vroeger aangehaald naar de eerste uitg., getiteld: Gedichten, zoo oude als nieuwe, 1851)
Wat! Is Piet een nikker? klonk een woedende stem. (Nannie van Wehl, Vooruitgestuurd, 1909)
Floorke zelf schold op de ‘nikkers’, die hem van zijn broek en zijn eer beroofd hadden. (Johan Fabricius, De scheepsjongens van Bontekoe, 1923)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nikker (Engels nigger)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nikker neger 1828 [Toll.] <Engels

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut