Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nikker - (boze watergeest, duivel; plant)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nikker1* [boze watergeest, duivel] {nicker, necker [watergeest, kabouter] 1302} middelnederduits necker, oudhoogduits nihhus (hoogduits Nix), oudengels nicor, oudnoors nykr [watermonster in de gestalte van een paard] (vgl. nix); het woord komt af van een i.-e. stam met de betekenis ‘wassen’: grieks nizein [wassen], oudiers necht [schoon, eig.: gewassen], oudindisch nikta- [gewassen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nikker 1 znw. m., mnl. nicker, necker m. ‘watergeest, kabouter’, mnd. necker. Daarnaast staan oe. nicor m. ‘hippopotamus, watermonster’, on. nykr ‘waterdemon, nijlpaard’, ohd. nihhus m. o. ‘riviermonster, waterdemon’ (nhd. nix). — Grondvorm is *nikwes-, *nikwus- teruggaand op idg. wt. *neig ‘wassen’, vgl. oi. nénêkti ‘wast, reinigt’, gr. nizō (< *nig) ‘was’, niptron ‘waswater’, oiers nigid (< *nigieti) ‘wast’, necht ‘rein’ (Meillet MSL 17, 1911-2, 195 en IEW 761).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nikker znw., mnl. nicker, necker m. “watergeest, kabouter”. = mnd. nëcker “id.”. In ’t Germ. vgl. ags. nicor m. “hippopotamus, watermonster”, on. nykr m. “id., watergeest” (*nikwiza-) en ohd. nihhus m. o. “krokodil” (nhd. nix m.; *nik(w)usa-). Ohd. ook het v. nicchussa (nhd. nixe). Men gaat gew. van de idg. basis nig- “(zich) wasschen” uit, waarvan ier. nigim, gr. nízō, níptō “ik wasch”, oi. nénekti “hij wascht” en waarvan ons woord, wsch. een oude s-stam, een deelw.-formatie zou kunnen wezen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nikker 1 m. (watergeest), Mnl. necker + Ags. nicor (Eng. nick), On. nykr (Zw. näck, De. nøk): z. nix.

nikker 2 v. (klaproos), is hetz. w. als nikker 1: vergel. Hgd. nixblume, De. nøkkeblomster, Zw. näckblad, die echter een andere bloem aanduiden. De naam berust op bijgeloof.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

nikker. Door de duivel een pseudoniem te geven, vermijdt men het noemen van zijn naam, waardoor hij niet echt aangeroepen wordt. Daarbij komt dat het geven van spotnamen tevens beheersing impliceert; door de duivel op deze manier te ridiculiseren kon men ongestraft zijn duivelsangst bezweren. “Die groote necker met zijnder soorte die geve u also quaden dach” ‘moge de grote duivel met zijn soortgenoten u een slechte dag berokkenen’, staat in Een schoon Liedekens Boeck [1544]; en in het toneelstuk Crispyn Weezenplaag [1709] stuiten wij op het fraaie citaat “De Nikker moetje de beenen breeken, vermaledyde bedotter” ‘laat de duivel je botten breken, vervloekte bedrieger’. Nikker ‘duivel’ wordt in deze verwensingen op dezelfde wijze gebruikt als duivel. Vooral in de 17de eeuw ontstaan er naast duivel allerlei andere benamingen. Nikker is een Germaans woord dat ‘boosaardige watergeest’ betekende en ‘gekerstend’ werd en als gevolg daarvan de betekenis ‘duivel’ kreeg. In de Middeleeuwen komen voor dat jou de nekker hale en de nicker sou u halen. Overigens kwam in de 15de eeuw de variant necker ook al voor. Nikker komt voor in Bredero’s Spaenschen Brabander. Een enkele maal wordt het woord als eed gebruikt: bij di nikker, maar meestal als uitroep. Bredero verbasterde het woord in de Klucht van de Koe [1611] tot pots-nickel. Andere zeventiende-eeuwse en latere uitroepen met duivelsbenamingen zijn, volgens De Baere (1940), (de) drommel, drommels, drumpel, (de) duycker, duiventer, de droes, de droelie, droes-cop, picken, pocken, by de bulleman. In de 18de eeuw komt als zelfverwensing ter bevestiging van de waarheid de nicker breek my vry het ruggebeen ‘laat de duivel voorwaar mijn ruggengraat breken’ voor. In de 18de eeuw komen wij in het toneelstuk De onberaaden Minnaar [1713] van H. van Halmael de bastaardvloek bij honderd duizend tonnen vol nikkers tegen. Ik vermoed dat de basis van deze uitroep is geweest bij gans nikkers ‘bij God en de duivels’. In plaats van gans, dat niet meer als verbastering van God werd aangevoeld, gebruikte men een ratelend, sonoor klinkend substituut. → boze, derde maat, droelie, droes, droeskop, drommel, drommelskop, drumpel, duiker, duin, duivekater, duivel, duiventer, duizend, Heintjeman, Heintje Pik, Joost, pikken, vijand.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Nikker (duivel) niet van ’t Lat. niger = zwart, maar van ’t Oudnoorsche Nikr = de watergeest, vrouw. nix.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nikker ‘boze watergeest, duivel’ -> Engels † nicker ‘boze geest, duivel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nikker* boze watergeest, duivel 1302 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal