Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

niezen - (proesten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

niezen ww. ‘proesten’
Mnl. niesen ‘niezen’ [1240; Bern.], Nemt ... peper ... ende werpet hem in den nese dit doet zere niesen ‘neem peper en strooi het hem in de neus; dit doet heftig niezen’ [1351; MNW-P], naast het synoniem mnl. fniesen, fniezen in Syn pulver doet fnyezen, ist dat hi in die naze ghesteken wert ‘zijn poeder doet niezen wanneer het in de neus gestopt wordt’ [1485; MNW].
Mnd. nesen; ohd. niosan, niesan (nhd. niesen); me. nesen (misschien ontleend aan een Noord-Germaanse taal; ne. gewest. neeze); on. hnjósa (nzw. nysa); < pgm. *hneusan- ‘niezen’ (oorspr. een sterk werkwoord). Bij fniezen horen: mhd. phnūsen; oe. fnēosung (zn.) ‘het niezen’, gefnēsan ‘niezen’ (me. fnese, snese, ne. sneeze); on. fnýsa ‘snuiven’ (nzw. fnysa); < pgm. *fneusan-. Naast de oorspr. vormen met de ongebruikelijke anlaut fn- ontstonden nevenvormen met hn- (> West-Germaans n-) en sn- (Hamp 1998). Het onstabiele karakter van deze klankexpressieve woorden zorgde daarnaast voor nog enkele andere wortelvormen, blijkens onder meer ohd. fnehan ‘snuiven’ < pgm. *fneh-, oe. fnæran ‘snuiven’ en on. fnasa ‘id.’ < pgm. *fnes-, ohd. fnegel, snegel ‘het snuiten’ < pgm. *fneh-.
Verwant met Grieks pnéein ‘blazen, ademen’; bij de wortel pie. *pneu- ‘ademen’ (LIV 489).
Lit.: E.P. Hamp (1998), ‘Sneeze’, in: NOWELE 33, 115-120

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

niezen*, niesen [proesten] {niesen 1201-1250} klanknabootsende vormingen oudhoogduits (h)niosan, oudengels fneosan, middelengels fnesen, engels to sneeze, oudnoors fnýsa [snuiven]; met dezelfde ontstaansgrond grieks pneō [ik blaas] → beniesd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

niezen ww. mnl. niesen, mnd. nēsen, ohd. niosan, me. nesen, on. hnjōsa, waarnaast met gramm. wiss. hnøri < germ. *hnuzan ‘het niezen, snot’ en oe. hnora ‘het niezen’.

Men vergelijkt oi. ksauti ‘niest’, lit. skiaudžiu, lett. škaut ‘niesť en tracht de zeer uiteenlopende vormen samen te vatten in een idg. wt. *ks(n)u of *sknu (IEW 953); daartegen is echter te zeggen, dat dit typische klankwoorden zijn (J. de Vries IF 62, 1956, 136-150). Daarom is de anlaut ook verschillend; met een f in nnl. fniezen en on. fnȳsa, met een s: ne. sneeze, nde. snuse. Klaarblijkelijk is de centrale klank n, daar het hier om een neusgeluid gaat; de medeklinkers daarvoor dienen alleen tot klankversterking. — Voor de nnl. uitspraak niesen zie v. Haeringen, Suppl. 116.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

niezen ww., mnl. niesen. = ohd. niosan (nhd. niesen), mnd., meng. nêsen, on. hnjôsa “niezen”. Met gramm. wechsel en ablaut on. hnøri, hneri m. “het niezen”. Men neemt wel een idg. qsneu-s- aan, waaruit dan ook sneus- (eng. to sneeze “niezen”) wordt afgeleid. De n beschouwt men dan als een infix en men gaat uit van een basis qseu-, sqeu-, waarvan oi. kṣáuti “hij niest”, lit. skiaudėti “niezen”. Ook fniezen brengen sommigen nog hierbij: zie aldaar. Anderzijds kan men met anlaut n russ. ńúchať “snuiven, ruiken” vergelijken. De ospr. betrekkingen tusschen de verschillende anlautsvarianten zijn niet vast te stellen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

niezen. Zeer verbreid is de uitspraak met s (reeds mnl. blijkens de spelling niessen?). Ook in Noord-Duitsland (Holthausen GRM. 17, 390, met onwsch. verklaring), een onomatopoëtische verscherping. Het streven naar expressieve klankvorm verklaart ook veel van de andere vormen uit het Germ. en daarbuiten, waarvoor het niet gewenst is een bepaalde idg. grondvorm te construeren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

niezen ono.w., Mnl. niesen + Ohd. niosan (Mhd. niesen, Nhd. id.), Meng. nésen (Eng. to neese), On. hnjósa (Zw. nysa, De. nyse): z. fniezen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neeste (ww.) niezen; Vreugmiddelnederlands niesen <1240> < Rienlands niesten.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nies ww.
Lug met 'n harde geluid uit die neus laat ontsnap.
Uit gewestelike Ndl. niesen (al Mnl.). In alg. Ndl. kom veral niezen voor. By 'n oorspr. klanknabootsende woord soos hierdie is 'n klein verskeidenheid uitsprake nie onnatuurlik nie.
D. niesen, Sweeds nysa.
Vgl. Eng. sneeze.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nies: reaksiegeluid maak op neusprikkel; Ndl. niezen, m. stl. uitspr. v. z (Mnl. niesen), Hd. niesen, Eng. sneeze, oorspr. kn. (dVri J NEW).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

niezen ‘proesten’ -> Kupang-Maleis nis ‘proesten’; Negerhollands nies ‘proesten’; Papiaments nister (ouder: niester) ‘proesten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

niezen* proesten 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut