Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nieuwsgierig - (alles willend onderzoeken of weten; benieuwd)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Waterwolf, landleeuw, geldgier

In 1641 pleitte waterbouwkundige Jan Adriaenszoon Leeghwater in zijn Haarlemmermeer-boek voor drooglegging van wat hij noemde de “water wolf [die] alles verslint ende vernielt wat daar ontrent is”. De bijnaam waterwolf was wel goed gekozen: het enorme Haarlemmermeer, met een oppervlakte van bijna 17.000 hectare, veroverde steeds meer land; het verslond het land zoals een wolf zijn prooi verslindt. Het imago van een verscheurend dier had de wolf al een paar duizend jaar, want wolf is afgeleid van een oude Indo-Europese woordvorm, *u̯el, die ‘scheuren’ betekent.

Geldwolf
Het duurde even, zoals wel vaker met grote infrastructuurprojecten, maar bijna twee eeuwen later, in 1839, besloot de regering dan toch het Haarlemmermeer droog te malen. Veel schot zat er niet in, want pas in 1847 boog de Tweede Kamer zich over het kostenplaatje. De liberale Leidse rechter en politicus Lodewijk Caspar Luzac uitte bedenkingen. De Handelingen van 24 maart 1847 melden:

De heer Luzac voelt zich genoopt om bij deze beraadslaging (…) het ongelukkige Haarlemmermeer eenigzins in bescherming te nemen tegen het verwijt, (...) een ondeugenden waterwolf te zijn. (…) De waterwolf, waarvan men zoo lang (...) gesproken heeft, en nog heden sprak, is naar des sprekers meening, thans werkelijk van bedenkelijker aard geworden, en in een verslindende geldwolf herschapen.

In latere beraadslagingen wordt er veelvuldig gerefereerd aan deze twee wolvenmetaforen: waterwolf en geldwolf. Geldwolf, voor een hebzuchtig iemand, is net als waterwolf sinds de zeventiende eeuw in gebruik; waarschijnlijk is het ontleend aan het oudere Duitse Geldwolf. Voor die tijd heetten geldwolven anders. In de Middeleeuwen was de aanduiding voor een hebzuchtig iemand gadergoet (‘iemand die goederen vergaart’), of vrec (‘vrek’) of vrecman.
Hetzelfde stramien als geldwolf vertonen de twintigste-eeuwse slagerswoorden vleeswolf en gehaktwolf, benamingen voor een apparaat waarmee vlees wordt fijngemalen.

Landleeuw
Waterwolf heeft zich intussen ontpopt tot een populaire naam voor zwem- en waterpoloverenigingen. De woordvondst van Leeghwater heeft bovendien inspiratie geleverd voor een literaire beeldspraak. In 1641 riep Joost van den Vondel in een gedicht getiteld ‘Aen den leeuw van Hollant’ de Hollandse autoriteiten op Leeghwaters plan ten uitvoer te brengen. Holland moest volgens hem uit zijn lethargie ontwaken en de strijd aangaan met de “Wrede Water Wolff”: “o lant Leeuw waeck eens op”, zo verzuchtte Vondel.
Vondels “lant Leeuw” (landleeuw) is hier en daar nog steeds te vinden. In Abbenes, een dorpje in de Haarlemmermeerpolder, staat een boerderij die in 1860 van dichter Jan Pieter Heije de naam Vondel’s Landleeuw heeft gekregen. En in Hoofddorp, de hoofdplaats van de gemeente Haarlemmermeer, ligt aan de N201 een woonwijk met drie straten waarin Vondels gedicht voortleeft: Windvorst, Landleeuw en Waterwolf.

Geldgier
Vanaf 1600 was ook geldgier een benaming voor een hebzuchtig iemand. Gezien de samenstellingen geldwolf en landleeuw ligt het voor de hand het tweede deel van dit woord, gier, te interpreteren als de naam van de aasetende roofvogel. Die herkomst veronderstelde Wigardus van Winschooten ook in zijn maritieme woordenboek uit 1681: hij merkte over “gierig, happig, begeerig en gierigaard, gierigheid” op: “schijnt te koomen van een Roofvoogel, genaamd Gier”.
Die woordafleiding is echter onjuist: naast geldgier bestonden ook geldgierig en geldgierigheid. In al deze woorden is gier een bijvoeglijk naamwoord dat sinds de dertiende eeuw voorkomt in de betekenis ‘gretig, begerig’, en ‘hebzuchtig’. Het werd ook zelfstandig gebruikt: “Tusschen den vrecken enten gieren” (tussen de vrekken en de hebzuchtigen). In de zeventiende eeuw duikt het ook op in het woord wijsgier (‘filosoof’), dat we tegenwoordig alleen nog kennen als wijsgeer.
Door dat zelfstandige gebruik van gier was het verschil tussen het bijvoeglijk en het zelfstandig naamwoord niet meer duidelijk. Voor het bijvoeglijk naamwoord kwam daarom de van gier afgeleide vorm gierig in zwang. In afleidingen als leer-, nieuws-, weet-, wraak- en bloedgierig heeft gierig nog de oorspronkelijke betekenis ‘begerig naar’. Vroeger bestonden er nog meer woorden van dit type; zo vermeldt Winschooten: “hij is natgierig: dat is, hij is tot den drank geneegen”. En in de Deux-Aes-bijbel van 1561 wordt van een goed tempelopzichter gezegd dat hij vooral niet “wijnghierich” mag zijn. Dan maar liever een waterwolf.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Waterwolf, landleeuw, geldgier’, in: Onze Taal 11, 27.]

Waterwolf, landleeuw, geldgier

In 1641 pleitte waterbouwkundige Jan Adriaenszoon Leeghwater in zijn Haarlemmermeer-boek voor drooglegging van wat hij noemde de “water wolf [die] alles verslint ende vernielt wat daar ontrent is”. De bijnaam waterwolf was wel goed gekozen: het enorme Haarlemmermeer, met een oppervlakte van bijna 17.000 hectare, veroverde steeds meer land; het verslond het land zoals een wolf zijn prooi verslindt. Het imago van een verscheurend dier had de wolf al een paar duizend jaar, want wolf is afgeleid van een oude Indo-Europese woordvorm, *u̯el, die ‘scheuren’ betekent.

Geldwolf
Het duurde even, zoals wel vaker met grote infrastructuurprojecten, maar bijna twee eeuwen later, in 1839, besloot de regering dan toch het Haarlemmermeer droog te malen. Veel schot zat er niet in, want pas in 1847 boog de Tweede Kamer zich over het kostenplaatje. De liberale Leidse rechter en politicus Lodewijk Caspar Luzac uitte bedenkingen. De Handelingen van 24 maart 1847 melden:

De heer Luzac voelt zich genoopt om bij deze beraadslaging (…) het ongelukkige Haarlemmermeer eenigzins in bescherming te nemen tegen het verwijt, (...) een ondeugenden waterwolf te zijn. (…) De waterwolf, waarvan men zoo lang (...) gesproken heeft, en nog heden sprak, is naar des sprekers meening, thans werkelijk van bedenkelijker aard geworden, en in een verslindende geldwolf herschapen.

In latere beraadslagingen wordt er veelvuldig gerefereerd aan deze twee wolvenmetaforen: waterwolf en geldwolf. Geldwolf, voor een hebzuchtig iemand, is net als waterwolf sinds de zeventiende eeuw in gebruik; waarschijnlijk is het ontleend aan het oudere Duitse Geldwolf. Voor die tijd heetten geldwolven anders. In de Middeleeuwen was de aanduiding voor een hebzuchtig iemand gadergoet (‘iemand die goederen vergaart’), of vrec (‘vrek’) of vrecman.
Hetzelfde stramien als geldwolf vertonen de twintigste-eeuwse slagerswoorden vleeswolf en gehaktwolf, benamingen voor een apparaat waarmee vlees wordt fijngemalen.

Landleeuw
Waterwolf heeft zich intussen ontpopt tot een populaire naam voor zwem- en waterpoloverenigingen. De woordvondst van Leeghwater heeft bovendien inspiratie geleverd voor een literaire beeldspraak. In 1641 riep Joost van den Vondel in een gedicht getiteld ‘Aen den leeuw van Hollant’ de Hollandse autoriteiten op Leeghwaters plan ten uitvoer te brengen. Holland moest volgens hem uit zijn lethargie ontwaken en de strijd aangaan met de “Wrede Water Wolff”: “o lant Leeuw waeck eens op”, zo verzuchtte Vondel.
Vondels “lant Leeuw” (landleeuw) is hier en daar nog steeds te vinden. In Abbenes, een dorpje in de Haarlemmermeerpolder, staat een boerderij die in 1860 van dichter Jan Pieter Heije de naam Vondel’s Landleeuw heeft gekregen. En in Hoofddorp, de hoofdplaats van de gemeente Haarlemmermeer, ligt aan de N201 een woonwijk met drie straten waarin Vondels gedicht voortleeft: Windvorst, Landleeuw en Waterwolf.

Geldgier
Vanaf 1600 was ook geldgier een benaming voor een hebzuchtig iemand. Gezien de samenstellingen geldwolf en landleeuw ligt het voor de hand het tweede deel van dit woord, gier, te interpreteren als de naam van de aasetende roofvogel. Die herkomst veronderstelde Wigardus van Winschooten ook in zijn maritieme woordenboek uit 1681: hij merkte over “gierig, happig, begeerig en gierigaard, gierigheid” op: “schijnt te koomen van een Roofvoogel, genaamd Gier”.
Die woordafleiding is echter onjuist: naast geldgier bestonden ook geldgierig en geldgierigheid. In al deze woorden is gier een bijvoeglijk naamwoord dat sinds de dertiende eeuw voorkomt in de betekenis ‘gretig, begerig’, en ‘hebzuchtig’. Het werd ook zelfstandig gebruikt: “Tusschen den vrecken enten gieren” (tussen de vrekken en de hebzuchtigen). In de zeventiende eeuw duikt het ook op in het woord wijsgier (‘filosoof’), dat we tegenwoordig alleen nog kennen als wijsgeer.
Door dat zelfstandige gebruik van gier was het verschil tussen het bijvoeglijk en het zelfstandig naamwoord niet meer duidelijk. Voor het bijvoeglijk naamwoord kwam daarom de van gier afgeleide vorm gierig in zwang. In afleidingen als leer-, nieuws-, weet-, wraak- en bloedgierig heeft gierig nog de oorspronkelijke betekenis ‘begerig naar’. Vroeger bestonden er nog meer woorden van dit type; zo vermeldt Winschooten: “hij is natgierig: dat is, hij is tot den drank geneegen”. En in de Deux-Aes-bijbel van 1561 wordt van een goed tempelopzichter gezegd dat hij vooral niet “wijnghierich” mag zijn. Dan maar liever een waterwolf.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2018), ‘Waterwolf, landleeuw, geldgier’, in: Onze Taal 11, 27.]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† nieuwsgierig, ouder-nnl. ook nieu(w)sgier. Ook ndd. tegenover hd. neugierig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nuuskierig b.nw.
Begerig om alles te weet.
Uit Ndl. nieuwsgierig (1658), 'n samestelling van nieuws 'nuus' en gierig, dus lett. 'gierig om nuus te hoor'. Die Afr. k vir die Ndl. g is 'n voorbeeld van dissimilasie, in hierdie geval: 'n opeenvolging van twee frikatiewe (s en g) word 'n frikatief en eksplosief.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nuuskierig: begerig na nuus/tyding; Ndl. nieuwsgierig (reeds by Kil as nieuwsghierigh), in tweede lid val i. Afr. op k i.p.v. g (v. afrokkel).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nieuwsgierig ‘alles willend onderzoeken of weten; benieuwd’ -> Duits dialect nieschierig ‘alles willend onderzoeken of weten, benieuwd’; Amerikaans-Engels dialect † niskeery ‘alles willend onderzoeken of weten; benieuwd’; Negerhollands noeskierig, nieuwskurig ‘alles willend onderzoeken of weten’; Berbice-Nederlands niskiriki ‘boosaardig, ondeugend’; Papiaments niuskir (ouder: nieskier) ‘alles willend onderzoeken of weten’; Sranantongo nyuskreki ‘benieuwd’.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

4. Nieuwsgierig Aagje.

Deze zegswijze, zonder of met het bijvoegsel van Enkhuizen, is ontleend aan ‘T Leven en Bedrijf van Clement Marot. Uit het Fransch in het Nederduyts vertaalt Door Jan Soet’. Aan het einde volgt een ‘Bijvoeghsel, Bestaende in verscheyde Quinckslagen en aerdige Poetsen, op de voorgaende Materie dienende’ en daaronder komt in een uitgave van 1655 voor ‘het kluchtigh Avontuurtje van 't Nieuwgierigh Aeghje van Enckhuysen’Zie Tijdschrift XX, bl. 291-301 en Noord en Zuid XXVII, 283-288., waarin het wedervaren wordt geschetst van eene vrouw uit Enkhuizen, die uit nieuwsgierigheid met haar buurman, een schipper, naar Antwerpen ging en daar in deerlijke ongelegenheid geraakte. Vgl. Gew. Weuw. III, 57: Wat schepzel staat daar! ey, komt vry wat nader, Nieuwsgierig Aagjen van Enkhuizen; en Comique en vermaaklijke Boerenreis, 1804, bl. 29: 't Zal u even eens vergaan, als nieuwsgierig Aagje van Enkhuizen, daar ik van in den Almanak geleezen hebbe. Thans zegt men in Friesland nog wel: sa nijsgjirrich as Aechje fen Inkhuzen; in Groningen echter zonder dit toevoegsel: een neisgierig Oagtje; oostfri. nêsgirige âgtje (Molema, 545 a); Waasch Idiot. 157: crieuze Beth. Vergelijk hiermede andere uitdrr. als: een stijve Piet (ontleend aan een klucht van W.D. Hooft); een vroolijk Fransje (zie ald.); een Jan Splinters testamentUit de klucht: het Testament van Jan Splinter, een waerachtighe historie, enz. o.a. reeds uitgegeven door den verzamelaar der Veelderhande Geneuchlijcke Dichten, anno 1600 (ed. Letterk., bl. 199); zie Tijdschrift XVIII, bl. 210-215, waar bewezen wordt, dat dit verhaal reeds in het begin der 16e eeuw bekend geweest is., die eveneens aan oude tooneelstukken of verhalen ontleend zijn.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut