Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nieuwerwets - (volgens de laatste mode)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ouderwets bn. ‘uit de tijd’
Vnnl. oudewets(ch) ‘eruitziend als iets of iemand uit vroeger tijd’ in van aanschyn en gelaat oudewetsch ‘wat betreft uiterlijk en gedrag als iemand uit vroeger tijd’ [1635; WNT], ouderwets(ch) ‘antiek’ in Den toorn door syn ouderwets hulsel ... laet hem oock uyterlijck aensien, van een bysonder oudt Gebouw te wesen ‘de toren laat door zijn antieke kap ook aan de buitenkant zien bij een bijzonder oud bouwwerk te horen’ [1667; WNT hulsel]; nnl. ook m.b.t. de aard, in ouderwetsche werken ‘ouderwetse boeken’ [1793; WNT].
Afleiding met bijvoeglijke → -s van → oud en → wet in de betekenis ‘aard, gebruik, gewoonte, mode’, zoals dat bijv. voorkomt in mnl. Item XII bombaerden van der hauder wet ‘zo ook 12 blijdes volgens de oude gewoonte’ [ca. 1488; MNW wet I] en Clerke van der niewer wet ‘nieuwerwetse geestelijken, geestelijken die zich niet aan de traditionele gewoontes en voorschriften houden’ [1285; VMNW clerke]. Vnnl. oudewets betekent dus letterlijk ‘volgens de oude gewoontes’. Later werd een -r- ingevoegd onder invloed van de comparatief ouder van oud.
nieuwerwets bn. ‘modern’. Vnnl. Nieuwerwetse roos ‘nieuw soort roos’ [1684; iWNT parel]; nnl. Een nieuwerwetse dragt ‘een nieuwe mode’ [1717; Marin NF], Nieuwerwetsche Dichters ‘moderne dichters’ [1765; WNT]. Gevormd met → nieuw naar analogie van ouderwets.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nieuwerwets* [volgens de laatste mode] {1684} van nieuw + wet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nieuwerwets bnw. eerst na Kiliaen is afgeleid van nieuw en wet; een gelijke formatie is ouderwets.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nieuwerwetsch bnw. bijw., nog niet bij Kil. Van nieuw + wet afgeleid. Zie ouderwets.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nuwerwets b.nw.
In die mode of volgens die jongste smaak, modern.
Uit Ndl. nieuwerwets (1684). Ndl. nieuwerwets het ontstaan uit de nieuwe wet, d.i. die Nuwe Testament, oordragtelik gebruik.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nieuwerwets* volgens de laatste mode 1684 [WNT roos]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut