Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nieuweling - (iem. die net is begonnen of aangekomen)

Etymologische (standaard)werken

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nieuweling znw. Teuth. reeds nylingh “die korts leden quam”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nuweling s.nw.
1. Iemand wat in 'n omgewing aangekom het. 2. Beginner, onervarene. 3. Pasgebore baba.
In bet. 1 en 2 uit Ndl. nieuweling (1581 in bet. 1, 1631 - 1634 in bet. 2). Uit bet. 1 ontstaan die begrip van onervarenheid, en vandaar die fig. toepassing in bet. 2. Bet. 3 het in Afr. self ontwikkel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

nieuweling (Duits Neuling)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nieuweling iem. die net is begonnen of aangekomen 1581 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal