Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

niets - (geen enkele zaak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

niets vnw. ‘geen enkele zaak’
Onl. niewihts, niewehts ‘niets’ in mich nelustet niewehtes ‘mij behaagt niets’ [ca. 1100; Will.]; mnl. niets ‘niets’ in inde sulke lude die en sin niets weert ‘en zulke lieden zijn niets waard’ [1270-90; VMNW], Hier bi ... beginne ics niets ‘hiermee kan ik niets beginnen’ [1300-50; MNW-R], ook in de combinatie niets niet ‘volstrekt niet(s)’, zoals in Ende niets niet en sijt yemene sculdech ‘en u bent helemaal niemand iets schuldig’ [1384-95; MNW-P], sommyghe en screuen niets niet ‘sommigen schreven volstrekt niets’ [1400-50; MNW-P]; vnnl. waer niets te crijgen is [1651; iWNT], Dat ... de Engelschen ... niets gedaen hadden [1690; iWNT].
Gevormd bij → niet in de Oud- en Middelnederlandse functie van onbepaald voornaamwoord, met de uitgang van een partitieve genitief, zie → -s. In de oudste attestaties heeft het woord nog daadwerkelijk een genitieffunctie: veel werkwoorden, waaronder bijv. lusten en waard zijn, werden gekoppeld aan een genitief. Daarnaast bestond de zeer frequente combinatie niets niet ‘niets’. Met het verdwijnen van het naamvalssysteem in het Nederlands kreeg niets de huidige, op zichzelf staande betekenis; ook de combinatie niets niet werd vereenvoudigd tot niets. Zie ook → iets bij ouder iet ‘iets’.
Mhd. nihtesniht, nihtes (nhd. nichts).

niks vnw. ‘niets’
Nnl. nix ‘niet(s)’ [1784; iWNT], niks [1789; iWNT].
Spreektaalvorm voor → niets, wrsch. ontleend aan het Duits, waarin nicks (nix) een in vele dialecten gewone nevenvorm van nichts ‘niets’ is.
niksen ww. ‘niets doen, luieren’. Nnl. Een uurtje “niksen” [1951; Gelderlander], niksen ‘niets doen, luieren’ [1956; Koenen]. Afleiding van niks.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

niets* [geen enkel ding] {ni(e)t 1201-1250, niets 1270-1290} de vorm met s is eig. een 2e nv. van het oorspr. niet [niets].

niks [niets] {1784-1785} < hoogduits nicks, nix, nichts, vgl. niets.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

niets voornw., mnl. niets bijw. ook nietes niet ‘volstrekt niet’. Eigenlijk een 2de nv. van mnl. niet ‘niets’.

De spreekvorm niks is waarschijnlijk als term der duitse soldaten sedert de 18de eeuw uit het nhd. overgenomen. — > ne. slang nix (sedert 1789), vgl. nixes ‘onvoldoende geadresseerde en daardoor onbestelbare poststukken’ (vgl. Bense 246).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

niets vnw., reeds mnl. Een formatie als iets. Voor de ontkennende n vgl. niet II, neen. Mnl. komt reeds niets voor naast gewoner niets niet. De gewone nndl. spreekvorm niks, sedert de 18. eeuw bekend, is uit Duitschland geïmporteerd, wsch. vooral door soldaten.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

niets, is ospr. genit. bij mnl. niet ‘niets’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

niets bijw., uit niets niet, nog dagelijks in België gebruikt: hij en heeft niets niet + Mhd. nihtes niht (waaruit Nhd. nichts): vergel. Fr. rien de rien, Lat. nihili nihil en z. iets en alles.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

niks bw., s.nw., vnw.
Geensins, iets wat nie bestaan nie, of glad nie iets nie.
Uit dialektiese D. nicks of nix (14de eeu) of gemeensame Ndl. niks (1784). Onseker of Afr. niks direk uit dialektiese D. of via gemeensame Ndl., wat dit ook aan D. ontleen het, gekry het. Vorme soos niksnuts en nikswerd laat vermoed dat D. ontlening die waarskynlikste is.
Vanuit Afr. in S.A.Eng. (1860).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

niets ervan/daarvan (vert. van Duits nichts davon)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

niets* onbepaald voornaamwoord 1270-1290 [MNW]

niks onbepaald voornaamwoord 1784-1785 [WNT] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1121. Waar niets is, verliest de keizer zijn recht,

d.w.z. op iemand, die niets bezit, kan niets worden verhaald; hem, die niets heeft, kan men niet dwingen te betalen; eene zegswijze die in zeer vele talen voorkomt en wellicht eene herinnering bevat aan het recht van keurmede, eene hofrechtelijke opbrengst, het beste stuk uit de nalatenschap van een hoorige (keurmedige) door den heer krachtens zijn recht te kiezen; zie het Mnl. Wdb. III, 1865. In Bouc v. Sed. 883 wordt deze gedachte uitgedrukt door: Die niet en hevet, van sinen goede mach men calengieren niet. Bij Goedthals, 34: Daer niet en is schelt den bailliu de boete quyte, la ou ny a que prendre, le roy perd son droit; qui rien n'ha, rien ne doibt (vgl. Vad. Mus. V, 372); bij Servilius, 7*: daer niet en is daer verliest de heere syn recht (Huygens, V, 83); bij Campen, 85: daer niet te nemen is, verliest de Koninck syn Recht. In Mergh, 8; Van Moerk. 299; Snorp. 33 en bij Tuinman I, 139 vinden we de spreekwijze in den tegenwoordigen vorm. Vgl. fr. où il n'y a rien, le roi perd ses droits; eng. where nought is to be had the king must lose his right; where nought is to be got, kings lose their scot; hd. wo nichts ist, hat der Kaiser sein Recht verloren; voor het Nederduitsch vergelijke men Taalgids V, 182. Zie ook De Cock1, 67; Waasch Idiot. 338 b: waar niets is verliest de keuning zijn recht; Joos, 168: waar niets is verliest de baljuw zijn boet; Antw. Idiot. 635; Zwolsche Herdr. 14-15, bl. 118; fri. wer net is ferliest de keiser syn rjucht.

1635. Geen (of niets) nieuws onder de zon.

Deze woorden zijn ontleend aan den Bijbel, Prediker I, vs. 9: 'Tgene datter geweest is, 't selve salder zijn: ende 't gene datter gedaen is, 't selve salder gedaen worden: so datter niet nieuws en is onder de Sonne. - Wij gebruiken deze woorden om uit te drukken, dat dezelfde verschijnselen op velerlei gebied onder andere vormen telkens terugkeeren. Zie Zeeman, 391; De Brune, Bank. II, 361; Afrik. Daar is niks nuuts onder die son nie; vgl. het hd. alles schon dagewesenVolgens Büchmann, 241 ontleend aan Karl Gutzkows Uriel Acosta (1847).; fr. il n'y a rien de neuf sous le soleil; hd. nichts Neues unter der Sonne; eng. nothing new under the sun.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut