Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nietig - (nietswaardig, klein; ongeldig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nietig bw. ‘nietswaardig, klein; ongeldig’
Vnnl. nietig ‘nietswaardig’ in sulcken nietigen ende ydelen vyandt ‘zo'n nietswaardige en onbeduidende vijand’ [1584; iWNT vermorteren], ‘ongeldig’ in om alle Concilien ... nietich ende van geender weerden te maken ‘... ongeldig en waardeloos te verklaren’ [1600; WNT bondeloos], ‘onbeduidend’ in dit nietich leven ‘dit onbeduidende leven’ [1614; WNT].
Afleiding van → niet met het achtervoegsel → -ig.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nietig* [niet geldig, onbeduidend] {nietich [onnut, waardeloos] 1573} van niet [niets].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nietig bnw., sedert Kiliaen, maar volgens hem verouderd, vgl. laat-mnl. nietlijcheit ‘nietigheid’. — Afl. van niet.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nietig bnw., sedert Kil., die ’t echter “vetus” noemt. Van niet II. Laat-mnl. en Teuth. wel nietlicheit “nietigheid”.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neteg (bn.) nietig; Nuinederlands nietig <1573>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nietig b.nw.
1. Onbelangrik, sonder waarde. 2. (regswetenskap) Sonder regskrag, ongeldig.
Uit Ndl. nietig (1573 in bet. 1, 1631 in bet. 2), 'n afleiding met -ig van niet 'nie'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nietig ‘onbeduidend, niet geldig’ -> Fries nietich ‘onbeduidend, niet geldig’; Sranantongo niteg ‘onbeduidend’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nietig* onbeduidend, niet geldig 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut