Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

niet - (bijwoord van ontkenning)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

niet bw. van ontkenning
Onl. niewiht ‘niets’ in nedredes thuneuuet ‘vrees jij niets?’ [891-900; ONW], fur nieuuehte ‘voor niets’, ik te nieuuehte braht bin ‘ik ben tot niets teruggebracht’, als glosse nuuieht (lees niuueht) ‘niet’ (bw.) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. niwet ‘niets’, nit ‘niet’ [beide 1240; Bern.], meestal niet, zoals in jof en wilde hi niet comen ‘of wilde hij niet komen’ [1253; CG I].
Gevormd uit het Germaanse ontkenningspartikel *ne, ni ‘niet, geen’, zie → nee(n), en een tweede lid dat correspondeert met → wicht ‘schepsel’, waarvan de oorspr. betekenis ‘ding’ moet zijn geweest. De oorspr. vorm niewiht is door verzwakking van de eindlettergreep samengetrokken tot niewet > niet, zoals ook onl. iowiht ‘iets’ > mnl. iet, zie → iets.
Os. neowiht, niowiht, nieht enz.; ohd. niowiht, niwiht, nieht, niht enz. (nhd. nicht); ofri. nāwet, naut, nāt enz. (nfri. net ‘niet’, neat ‘niets’); oe. nāwiht, nōwiht (ne. naught, nought, not); got. ni waihts.
Aanvankelijk was het woord dus een zelfstandig naamwoord. Het ontwikkelde zich al voor de schriftelijke overlevering tot onbepaald voornaamwoord ‘niets’. In bepaalde posities, bijv. in combinatie met een overgankelijk werkwoord, kon het woord zowel ‘niets’ als ‘niet’ betekenen. Zo ontwikkelde niet zich tot ontkennend bijwoord. Als onbepaald voornaamwoord raakte het verouderd (behalve in enkele vaste verbindingen zoals tenietdoen en om niet) en werd het vervangen door de afleiding → niets.
nietes tw. ‘het is niet waar’. Nnl. nietes ‘id.’ [1897; iWNT punten VI], 't Is nietes ‘id.’ [1911; iWNT]. Volgens WNT ontstaan uit niet des, maar omdat nietes vooral in de spreektaal en meer bepaald in de kindertaal voorkomt en het lidwoord des in de gewone spreektaal al zeer lang niet meer voorkomt, is dit zeer twijfelachtig. Het woord is een expressieve en emfatische nevenvorm van niet met hetzelfde affectieve achtervoegsel als in dinges, hebbes enz. Zie ook het eerder geattesteerde antoniem welles onder → wel 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

niet* [ontkenning] {oudnederlands niewiht, niewet 901-1000, middelnederlands niet [niets, niet]} oudsaksisch neowiht, niowiht, oudhoogduits neowiht, niwiht, oudfries nawet, oudengels nawuht, noht (engels not nought), gotisch ni waihts [niets]; van ontkennend ne (vgl. neen) + iet (vgl. iets).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

niet 2 znw. m. ‘in de loterij’ eerst na Kiliaen, is een substantivering van niet 4. — Het nhd. niete is sedert de 18de eeuw over Hamburg met de Hollandse loterijen overgenomen.

niet 4 bijw., mnl. niet ‘niets, niet’, onfrank. niewiht, niewet, os. neowiht, niowiht, ohd. neowiht, niwiht, ofri. nawet, oe. nawuht, naht, nowuht, noht (ne not en nought), vgl. got. ni waihts ‘niets’. — Samenstelling van germ. partikel *ne (zie: neen) + iet (waarvoor zie: iets). — Een analoge formatie is on. vættki naast ekki vætta ‘niets’. — De bet. ‘niet’ heeft zich al vroeg uit die van ‘niets’ ontwikkeld.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

niet II bijw., mnl. niet “niets, niet”. Uit germ. *ne- (zie neen) + iet waarover vgl. bij iets. Vgl. onfr. niewiht, niewet (de laatste vorm uit *ne aiw χwat? Evenzoo os. niet?), ohd. neowiht, niwiht (nhd. nicht), os. neowiht, niowiht, ook niet, ofri. nâwet, ags. nâwuht, nâht, nôwuht, nôht (eng. not, nought) “niets”, waaruit in sommige talen al vroeg de bet. “niet” ontstond. ’t Got. heeft voor “niets” ni waíhts v. = ohd. niwiht. ’t On. vet(t)ki. Zie nog niets.

niet III (in de loterij), nog niet bij Kil. = niet II. Uit het Ndl. (via Hamburg) nhd. niete v.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

niet 3 bijw. o. en v., Mnl. niet, niewet, Os. neowiht + Ohd. id. (Mhd. niht, Nhd. nicht), Ags. náwuht (Eng.naught, not), Ofri. náwet, Go. ni waihts: z. neen en iet.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neet (bijw.) niet; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) neet, Aajdnederlands niewiht <891-900>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?,

, vragende partiekel beantwoordende aan Ndl. hè: Dis warm, nè? – Ter Laan 603; “Neñ, he? Mooi weer, nḕñ?” Bls. 1269 word “, niet waar?” aangegee, met verwysing na neñ.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

niet ‘ontkennend bijwoord’ -> Fries niet ‘ontkennend bijwoord’; Petjoh niet ‘nee, niet’; Javindo nee, niet ‘ontkennend bijwoord’; Negerhollands na, no, nu, nǝ, nē, ne, ni, nit, niet ‘ontkennend bijwoord’; Berbice-Nederlands ni ‘vraagwoord’; Skepi-Nederlands ni, niti ‘ontkennend bijwoord’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) na ‘niet, is niet’ .

niet ‘(in de loterij) nummer waarop geen prijs valt’ -> Duits Niete ‘lot zonder prijs, mislukkeling, nul’; Deens nitte ‘lot zonder prijs, tegenslag, pech’; Noors nite ‘lot zonder prijs’ ; Zweeds nit ‘lot zonder prijs’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

niet* ontkennend bijwoord 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1634. Als niet komt tot iet, is 't allemans verdriet,

of als niet komt tot iet, kent iet zich zelven niet, d.w.z. als iemand van geringe afkomst vrij snel, niet altijd door eigen verdienste, vooruit komt in de wereld, wordt hij dikwijls verwaand (vgl. Spreuken, XXX, 22-23). Volgens Harreb. II, 52 is deze zegswijze sedert de 16de eeuw opgeteekend in spreekwoorden-verzamelingen. In de litteratuur vond ik haar in Seven D.Seven Duyvelen regeerende en vervoerende de Hedendaeghsche Dienstmaegden, door S. de V., t' Amsterdam, 1682. 216: 't Oude kreupel-rijm seght: Als niet koomd tot yet, soo ist allemans verdriet; Paffenrode, ed. 1711, bl. 110: Als niet komt tot yet, soo kent 't syn zelven niet; Tuinman I, 256; Halma, 380; Sewel, 522; De Arbeid, 18 April 1914, p. 4 k. 2: Helsdingen en Schaper zijn de levende voorbeelden van het gezegde: als niet komt tot iet, is het allemans verdriet; 5 Dec. 1914, p. 2 k. 4: Wie van niet komt tot iet, is een allemansverdriet; oostfri. de van nêt kummt to êt, dat is allemanns Verdrêt (Wander III, 1015). Ook in Zuid-Nederland: als niet komt tot iet, kent iet zijn zelven niet (zie o.a. Waasch Idiot. 302). (Aanv.) Vgl. nog Ndl. Wdb. VII, 2156.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut