Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nier - (orgaan in menselijk en dierlijk lichaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nier zn. ‘orgaan in menselijk en dierlijk lichaam’
Onl. nieri op grond van de samenstelling (gelatiniseerd) nerebedden ‘nierbed, het vet waarin de nieren in het lichaam liggen’ [1176-1200; ONW]; mnl. niere ‘nier’ in ghescepen als .i. niere ‘gevormd als een nier’ [1287; VMNW]; vnnl. nier ‘nier’ [1635; WNT].
Mnd. nere; ohd. nioro (nhd. Niere); me. nere (ne. gewest. neer); on. nýra (nno. nyre), njóra (ozw. niūre, nzw. njure); alle ‘nier’, ohd. ook ‘teelbal’; < pgm. *neuran-, *neurin-.
Verwant met: Latijn (inscripties uit Praeneste) nefrōnēs ‘teelballen’; Grieks nephroí ‘nieren’ < pie. *negwh-ro-. Men moet dan pie. *-gwh- > pgm. *-gw- > *-w- veronderstellen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nier* [een orgaan] {ni(e)re 1287} oudhoogduits nioro, middelengels nēre, oudnoors nȳra; verband met andere i.-e. talen is onzeker, evenals de etymologie.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nier znw. v., mnl. niere v., mnd. nēre ‘nier’, ohd. nioro m. ‘nier, teelbal’ (nhd. niere v.), me. nere (vgl. ne. kidney wellicht < me. kid-nere), on. nȳra o. ‘nier’. — Grondvorm *neur(i)an.

Om hiermee te verbinden gr. nephroí ‘nieren’, lat. nefrones (Praeneste), nebrundines (Lanuvium) neemt S. Bugge BB 3, 1879, 195 een grondvorm *neghron aan. Maar deze woorden zijn met nier alleen semantisch verwant; Fay, Fschr. Bloomfield 1920, 140 gaat uit van een germ. grondvorm *neuran of *neuzan, die hij verder met de idg. wt. *(s)nu ‘druppelen’ verbindt (zie daarvoor: snuiten).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nier znw., mnl. niere v. = ohd. nioro m. “nier, klootbal” (nhd. niere v.), mnd. nêre v. “nier”, meng. nêre (eng. kidney > meng. kid-nêre), on. nŷra o. “nier”. Germ. *neuran- (*neurian-) zal wel op *neghron- teruggaan; dan zijn gr. nephroí “nieren”, lat. (Praeneste) nefrônes, (Lanuvium) nebrundines “id., klootballen” verwant. Op verschillende wijzen heeft men ier. âru “nier” hiermee pogen te combineeren (*ŋghr- of anlaut-alternatie n: nul aannemend): zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nier v., Mnl. niere + Ohd. nioro (Mhd. niere, Nhd. niere), Meng. nére, On. nýra (Zw. njure, De. nyre): Ug. *neurō uit *newrō, *negwrō + Gr. nephrós, Lat. nefrones: Idg. *neɡhr-.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

neer (zn.) nier; Aajdnederlands nieri <1176-1200>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nier s.nw.
Orgaan wat afvalstowwe in die liggaam as urine uitskei.
Uit Ndl. nier (Mnl. niere).
Hoewel alg. Germ. (D. Niere, Sweeds njure) is die herkoms onseker.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

nier: zijn nieren opvreten (vrat, heeft gevreten), zich ergeren, zich opvreten. - Etym.: S njan mi niri = lett. id. (njan = eten). - Zie ook: zich vervelen* (van), wrakelen*, wraken*.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Iemands nieren proeven, iemands eigenlijke mening of bedoelingen onderzoeken of op de proef stellen.

Het bijbelse voorbeeld van deze uitdrukking luidt hart en nieren (be)proeven of toetsen, onder andere te vinden in Psalmen 7:10, 'U die hart en nieren doorgrondt / bent een rechtvaardige God' (NBV; de NBG heeft 'toetst' in plaats van 'doorgrondt'. Het werkwoord 'proeven' komt voor in oudere vertalingen). Hier betekent het 'het innerlijk van de mens grondig onderzoeken', en wel om hem rechtvaardig te kunnen beoordelen. Nieren staat hierin, naast hart, als het meest innerlijke van de mens, waar zijn gevoel en verstand gevestigd zijn; zie ook in hart en nieren onder hart. In het huidige Nederlands is hart vervallen en wordt de uitdrukking vooral gebruikt naar aanleiding van discussies waarin men de ware bedoelingen van iemand wil achterhalen.

Liesveldtbijbel (1526), Psalmen 7:10. Want ghi gerechtich God proeft herten ende nyeren. (Statenvertaling: beproeft.)
Doel van de ontmoetingen was, zei de woordvoerder van Tjeenk Willink gisteravond, om de 'nieren te proeven' van de drie leiders waar het gaat om hun politieke wil onderhandelingen met elkaar te beginnen. (NRC, mei 1994)
[Na iemand in een discussie fel aangevallen te hebben:] 'Je hebt wel gelijk hoor, maar ik wou je nieren proeven.' (Gehoord, jaren '90)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nier ‘orgaan’ -> Fries nier ‘orgaan’; Indonesisch nir ‘orgaan’; Creools-Portugees (Batavia) nier ‘orgaan’; Negerhollands nier ‘orgaan’; Papiaments nir (ouder: nier) ‘orgaan’; Sranantongo niri ‘orgaan’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nier* een orgaan 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

904. Het op de heupen hebben (- krijgen),

d.w.z. in een opgewonden gemoedstoestand verkeeren of geraken, d.i. slecht gehumeurd zijn òf met een aanval van buitengewonen ijver iets doenMag men hierin eene herinnering zien aan de oudtestamentische gewoonte om op de heupen te kloppen als teeken van groote ontsteltenis en droefheid? Of moeten we denken aan verschijnselen bij een heuplijden?. De uitdr. staat opgegeven bij Harreb. I, 307 b; ook komt ze voor O.K. 166; 170; Uit één pen, 144; Sjof, 158; 176; 218; Kmz. 24; Jord. 195; 235; Speenhoff VII, 25; Heyermans, Ghetto, 11; Zondagsbl. v. Het Volk, 1905 p. 236: De rooie huzaren waren er ook bij uitgenoodigd om te hooren wat de generaal van Den Haag vandaag op z'n heupen had. Vgl. de soortgelijke uitdr. 't op de zenuwen, op de borst hebben; het op den asem hebben (Waasch Idiot. 280); 't veur de nieren hebben, zwanger zijn (Molema, 545 a); het voor zijn speetjes (?) hebben = dronken zijn (Gew. Weuw. III, 69); het voor zijn kiezen krijgen (ald. bl. 39; ook Harreb. 399; B.B. 151); het voor de nieren hebben, dood gaan (Gallée, 30 b; Draaijer, 27 b); in Twente: 't veur de stikken krîgen, sterven; hij heeft het voor zijn ster (dronken; Nav. 1897; 59); 't op zijn ruiker(d) hebben, zich meer dan anders inspannen (Onze Volkstaal III 254; Menschenw. 312; 431; Lev. B. 95); 't voor zijn kriek hebben (ongesteld, dronken zijn; Boekenoogen, 514; evenzoo bij De Vries, 80, die het ook vermeldt van een vrouw: zwanger zijn); hij het et van dage op de butte, goedgehumeurd (Dr. Bl. II, 51); fri. hy het it for de krint (ongesteld); hy heeft het voor zijn maag (dood; Sewel, 470); hij heeft het hard voor zijn scheenen (kwaad te verantwoorden; Halma, 560); het voor zijn hart hebben (dronken of verliefd zijn; Ndl. Wdb. VI, 10); 't op 't lijf hebben, iets in den zin hebben (Gunnink, 162).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut