Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nicotine - (alkaloïde in tabak)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nicotine zn. ‘alkaloïde in tabak’
Nnl. nicotine ‘tabaksstof, alkaloïde in tabak’ [1843; Nederlandsch Handelsmagazijn], Virginia-sigaren. Daar die tabak zeer veel nicotine bevat [1878; Archief Eemland], ook veel in samenstellingen, bijv. nicotine-gehalte [1896; WNT uitdenken], nicotine-vergiftiging [1897; Groene Amsterdammer].
Ontleend aan Frans nicotine [1818; TLF], gebaseerd op wetenschappelijk Latijn Nicotiana, de naam van de tabaksplant; de plant is genoemd naar Jean Nicot (ca. 1530-1600), korte tijd Frans ambassadeur in Portugal, die de tabak vanuit dat land rond 1560 in Frankrijk zou hebben geïntroduceerd.
De tabaksplant was al in 1555 meegebracht door de Franse sterrenkundige André Thévet van een reis uit Amerika. Wel heeft in 1560 een brief van Nicot aan de kardinaal van Lorraine, waarin hij stelde dat de plant wonderbaarlijke geneeskrachtige eigenschappen had, ervoor gezorgd dat het gebruik van tabak zich kort daarna aan het hof van Frankrijk verbreidde. In 1564 stelde de plantkundige Jean Liebault voor om de plant Nicotiana te noemen.
Lit.: Sanders 1990

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nicotine [alkaloïde in tabak] {1868} < frans nicotine, ouder nicotiane, van modern latijn (herba) Nicotiana [(kruid) van de tabaksplant], Nicot [tabak, tabaksplant], naar Jean Nicot († 1600), Franse ambassadeur in Portugal, die de tabak - kort daarvoor in Europa geïntroduceerd - als geneesmiddel aanprees.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nicotine znw. v., < fra. nicotine (sedert de 19de eeuw) gevormd bij het oudere woord nicotiane ‘tabaksplant’ (sedert de 16de eeuw), genoemd naar Nicot, frans gezant in Lissabon, die het eerst de plant aan Catharina de Medici toezond.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

nikotien s.nw.
'n Verslawende gifstof wat in tabak voorkom.
Uit Eng. nicotine (1819).
Eng. nicotine uit Fr. nicotine, met lg. gevorm na Nicot, Fr. ambassadeur in die 16de eeu wat tabak as geneesmiddel gepropageer het.

Thematische woordenboeken

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

nicotine: het zeer giftige alkaloïd in de tabaksplant (Nicotiana), genoemd naar de Franse diplomaat en filoloog Jean Nicot (1530-1600); nicotianisme: chronische nicotinevergiftiging.
Nicot, een notariszoon uit Nîmes, studeerde daar letteren en later rechten aan de Parijse Sorbonne. Op verzoek van de Franse koning vertrok hij in 1559 als ambassadeur naar Lissabon. Na twee jaar keerde hij echter al naar Frankrijk terug. Zijn verdere leven heeft Nicot zich met taalkundige studies beziggehouden. Zes jaar na zijn overlijden verscheen zijn woordenboek Thrésor de la langue Francoyse.
Nicot was één der eersten die het gebruik van tabak als geneesmiddel propageerde: ‘une espèce d’herbe, de vertu admirable pour guarir toutes naurures’ (Sanders). Tegen allerlei kwalen, zoals scheurbuik, jicht, gal- en nierstenen en chronische slapeloosheid, werd het ‘wondercruyt’ aanbevolen. Men schreef het snuiven van dit kruid voor (het clysterium nasi ofwel ‘neuslavement’), naast het gebruik ervan in de vorm van poeders, balsem, extracten, pleisters, lavementen, pillen en zalven. Ook de Dordtse medicus Johan van Beverwijck (1594-1647) was de mening toegedaan dat tabak alle ‘vochtigheid uit het hoofd zoude trekken en wondergoed tegen pestilentiaal fenijn’ zou helpen, een mening die zijn vriend de Amsterdamse magistraat en medicus Nicolaas Tulp (1593-1674) beslist niet deelde. In zijn Genees-insighten wees Tulp met veel verve op de schadelijke gevolgen van de tabak. Wie zich te buiten gaat ‘die raekt aen ’t hoesten en proesten, ’t bederven van de longe, ’t begeven van ’t hart en ’t verslijten van ’t gansche lichaam’; krachtige taal van deze zeventiende-eeuwse medicus; ze zou in een hedendaagse anti-rookcampagne zeker niet misplaatst zijn (Beijer, 1991).
Of Nicot, zoals men aanneemt, de tabaksplant in Frankrijk geïntroduceerd heeft, is nog maar de vraag. In 1555 zou de franciscaner monnik André Thévet, een sterrenkundige in dienst van de Franse koning, de Fransen al met de tabak hebben doen kennismaken. Wel schijnt na een brief van Nicot aan de kardinaal Lorraine, waarin hij wees op de wonderbaarlijke eigenschappen van het kruid dat Pétun & Herbe à la Reine (Eloy) genoemd werd, het gebruik aan het Franse hof enorm te zijn toegenomen. Of de Franse koningin Catharina de Medici tabak ‘snoof’ om van haar hoofdpijn af te komen, weten we niet (Sanders). Al in 1564 stelde de plantkundige Jean Liebault voor de tabaksplant ‘Nicotiana’ te noemen, naar zijn propagandist. In zijn Thresor nam Nicot de plant dan ook onder die naam op.

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

nicotine, vergif in de bladeren en de zaden van de tabak
Nicotine is een zwaar vergif dat eerst werd gezien als een wonderbaarlijk geneesmiddel.
De eerste die het als zodanig propageerde was Jean Nicot. Nicot werd omstreeks 1530 in Nîmes in Frankrijk geboren. Zijn vader werkte bij een rechtbank en Jean was voorbestemd advocaat te worden. Hij studeerde eerst letteren in Nîmes en vervolgens rechten in Parijs.
Nicot wist al snel op te klimmen tot adviseur aan het hof, maar zijn hart lag bij de wetenschap. Hij legde een enorme bibliotheek aan en was een eind op streek met zijn Historiae Francorum toen de Franse koning hem vroeg ambassadeur in Lissabon te worden.
In mei 1559 vertrok de 29-jarige Nicot naar Lissabon. Hij was echter niet in de wieg gelegd voor de diplomatieke dienst en keerde in oktober 1561 alweer terug.
Nicot zou later verschillende boeken publiceren maar zijn levenswerk was de Thresor de la langue Francoyse. Een recente heruitgave van dit invloedrijke woordenboek bevat een uitvoerige biografie van Nicot, geschreven door Frédéric Edelmann. Edelmann rekent hierin af met de legende dat Nicot de tabaksplant in 1560 als eerste in Frankrijk introduceerde. Een zekere André Thévet, een sterrenkundige in dienst van de Franse koning, zou de plant al in 1555 hebben meegenomen van een reis naar Amerika. Daar werden de bladeren sinds mensenheugenis gerookt, gesnoven en gepruimd. Columbus beschreef deze gewoonte al in 1491. Het duurde tot halverwege de 16de eeuw voordat Spaanse en Portugese matrozen de plant meenamen naar Europa.
Toen Nicot ambassadeur in Lissabon werd, was tabak of petun daar net in opmars. De overlevering wil dat Nicot de plant met een warme aanbeveling opstuurde aan Catharina de’ Medici, de Franse koningin. Volgens Edelmann echter schreef Nicot in april 1560 aan de kardinaal van Lotharingen: ‘Ik heb de hand weten te leggen op een kruid met wonderbaarlijke eigenschappen. Het helpt tegen schurft, tegen jammerlijke zweren die door artsen ongeneeslijk zijn verklaard en is een snelwerkend en buitengewoon medicijn tegen kwetsuren. Zodra ik het zaad heb zal ik dit opsturen aan uw tuinman in Marmoustiers. De plant zelf volgt in een ton met aanwijzingen hoe hij moet worden gekweekt en verzorgd.’
Hoe de plant vervolgens bij de Franse koningin terechtkwam is niet bekend. ‘Men weet eigenlijk nauwelijks zeker of zij inderdaad tabak gebruikte om haar hoofdpijnen te genezen,’ aldus Edelmann, ‘maar zeker is dat kort na de brief van Nicot het gebruik van tabak zich aan het hof van Frankrijk verbreidde.’ In 1564 stelde de plantkundige Jean Liebault voor om de tabaksplant Nicotiana te noemen. Vanuit Frankrijk veroverden de plant, het roken, snuiven en pruimen daarna in razend tempo heel Europa. In 1686 raadde Cornelis Bontekoe de herba Nicotiana aan als een middel tegen dufheid, hoofdpijn, slaperigheid, kiespijn, bijziendheid, hardhorigheid, jicht, buikkramp, schurft, puisten, vurigheid, magerheid, wormen en vetzucht’. Pas in het begin van de 19de eeuw werd duidelijk hoe giftig nicotine is. Van Dale geeft als voorbeeldzin: ‘Een druppel nicotine is voldoende om een volwassen hond te doden.’
Jean Nicot stierf op 10 mei 1600. Zijn Thresor verscheen in 1606 en vermeldt op pagina 419 : Nicotiane ‘une espèce d’herbe, de vertu admirable pour guarir toutes naurures’.
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nicotine ‘alkaloïde in tabak’ -> Indonesisch nikotin ‘alkaloïde in tabak’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nicotine alkaloïde in tabak 1847 [KKU] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut