Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

nicht - (dochter van broer of zus; dochter van oom of tante)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

nicht 1 zn. ‘dochter van broer of zus; dochter van oom of tante’
Mnl. nichte ‘vrouwelijke bloedverwant’ in si is míjn nichte [1220-40; VMNW], nigte ‘kleindochter’ [1240; Bern.], sire nichten ... Dat hire of ware oudervader ‘zijn kleindochters ... zodat hij er grootvader van zou zijn’ [1285; VMNW], ook nog wel nifte in harre nifte ‘haar vrouwelijke verwanten’ [1291; VMNW]; vnnl. nicht ‘vrouwelijke bloedverwant’ [1526; WNT ziel I], nichte ‘kleindochter; vrouwelijke bloedverwant’ [1599; Kil.], ooms, moeyen, neven ofte nichten ‘ooms, tantes en hun kinderen’ [1619; WNT].
Ontwikkeld uit ouder nifte met de Nederlandse klankovergang -ft- > -cht-, zoals in → achter.
Mnd. nichte, nifte; ohd. nift(a) (nhd. vero. Nift, naast Nichte ontleend aan het mnd.); ofri. nift (nfri. vero. nift naast ontleend nicht); oe. nift (me. nift); on. nipt; < pgm. *nifti < *nefti- ‘vrouwelijke bloedverwant’. Zie ook → neef.
Verwant met: Latijn neptis ‘kleindochter; vrouwelijke bloedverwant’ (Laatlatijn neptia ‘dochter van broer of zus’, vanwaar Frans nièce, Engels niece, en *nepta ‘id.’, vanwaar Spaans nieta ‘kleinkind’, voorheen ook ‘nicht’); Sanskrit naptī ‘dochter, kleindochter’; Litouws neptė ‘kleindochter’; Oudiers necht ‘dochter van zus’, Welsh nith ‘id.’; < pie. *nep-ti- ‘vrouwelijke bloedverwant’ (IEW 764).
Oorspr. was de betekenis van dit woord niet zeer specifiek; in alle talen konden er verschillende vrouwelijke bloedverwanten mee worden aangeduid, zoals ‘kleindochter’ en ‘dochter van broer of zus’ en ‘dochter van oom of tante’. In het Nederlands is de eerstgenoemde betekenis verouderd en zijn met name de twee laatstgenoemde betekenissen overgebleven; voor verdere vrouwelijke bloedverwanten, bijv. ‘dochter van een nicht, dochter van oudoom’, gebruikt men de afleiding achternicht, die zelf soms ook weer verkort wordt tot nicht(je). In het Duits, de enige andere moderne Germaanse taal waarin het woord bewaard is, heeft Nichte alleen de betekenis ‘dochter van broer of zus’. Zie ook → nicht 2 ‘homoseksuele man’.

nicht 2 zn. ‘homoseksuele man’
Nnl. nigt, nicht ‘homoseksuele man’ in wordende door 't woord nigten ... verstaen soodanige personen welke onder haer geselschap behoorden en met malcanderen de bekende vuijligheden kwamen te bedrijven [1730; Huussen 1982], “mannelijke homo” [1974; Koenen].
Hetzelfde woord als → nicht 1. Bovenstaande attestatie geeft een uitleg over het woord dat destijds in homoseksuele kringen zelf werd gebruikt. Het woord nicht verwijst naar de karakteristieke vrouwelijke eigenschappen van deze mannen.
Lit.: A.H. Huussen jr. (1982), “Strafrechtelijke vervolging van ‘sodomie’ in de Republiek”, in: Spiegel Historiael 17, 547-552, hier 549

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

nicht* [dochter van broer, zus, oom of tante] {nicht(e) [kleindochter, nicht, bloedverwante] 1220-1240} middelnederduits nichte, oudhoogduits, oudfries, oudengels nift, oudnoors nipt; buiten het germ. latijn neptis [kleindochter, nicht, vrouwelijke nakomeling], oudiers necht, cornisch noith, welsh nith, oudlitouws nepti [nicht], tsjechisch netʼ, neteř [nicht], oudindisch naptī- [kleindochter], vr. vorm naast neef, met overgang van ft > cht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

nicht znw. v., mnl. nicht, nichte, nift, nifte ‘kleindochter, nicht, vrouwelijke bloedverwant’, mnd. nichte v. ‘kleindochter, nicht, vrouwelijke verwant’ (> nhd. nichte), ohd. nift ‘nicht, stiefdochter’, ofri. nift ‘kleindochter, nicht, vrouwelijke verwant’, oe. nift ‘nicht, kleindochter, stiefdochter’, on. nipt on. nipt ‘bloedverwante’, vaak als verkleinwoord: oostel. mnl. nichtele, mnd. nichtele, nichteke, ohd. niftila. — lat. neptis ‘kleindochter’, oi. naptī- ‘kleindochter, vrouwelijke nakomeling’, oiers necht ‘nicht’, olit. neptė ‘kleindochter’, osl. nestera (< *nept-terā) ‘nicht’ (IEW 764). De vrouwelijke vorm naast neef.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

nicht znw., mnl. nicht, nichte, nift(e) v. (oostelijk ook nichtele) “kleindochter, nicht, vrouwelijke bloedverwant”. = ohd. nift (ook niftila) v. “neptis, privigna”, mnd. nichte (ook nichteke, -le) v. “kleindochter, nicht, vrouwelijke verwant” (nhd. nichte), ofri. nift v. “id.”, ags. nift v. “nicht, kleindochter, stiefdochter”, on. nipt v. “bloedverwante”, germ. *nifti- > idg. *nepti-. = ier. necht “nicht”, lat. neptis “kleindochter”, oudlit. neptis “id.”, čech. neť “nicht”, oi. naptī̆ “kleindochter, vrouwelijke nakomeling”. Vrouwelijk bij neef.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

nicht v., Mnl. nichte (cht = ft) + Ohd. nift, Ags. nift, Ofri. id., On. nipt, Go. niþjo (d.i. nif-thjo) + Skr. naptī, Lat. neptis, Oier. necht, Lit. neptis: een afleid. van denz. stam als neef. Nhd. nichte komt uit Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

nisje, nisjeke (zn.) nicht; Vreugmiddelnederlands nichte <1220-1240> < Frans nièce.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

nicht (de, -en), 1. nicht, d.w.z. dochter van oom of tante. - 2. vrouwelijk familielid van de tweede graad of verder, van dezelfde generatie: achternicht, verre nicht. - Etym.: Bet. 2 komt ook voor in AN, maar veel minder alg. dan in SN. Het bet. dus niet: dochter van broer of zuster. Daarvoor gebruikt men broerskind* en zusterskind*. Er is volledige analogie met neef*.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

nig(gie): as simp. gew. dim., voor eien. nig, dogter v. oom of tante, van broer of suster; Ndl. nicht (Mnl. nicht/nift, albei ook m. ausl. -e), Hd. nichte, Eng. niece, Fr. nièce, vr. vorm by neef, via Ll. neptia uit Lat. neptis, “kleindogter”; i. Afr., soos by neef (q.v.), ook aansprv. v. nie-familielid.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

nicht: zowel scheldwoord als geuzennaam voor een homoseksueel. Zinspelend op het vrouwelijk karakter? Iemand kan ook een nicht als een huis (of: een kathedraal; een paard) zijn: op en top een homo. Albert Mol (‘Zo’ zijn, 1984) meent dat valse* nicht in de plaats is gekomen van oudere begrippen zoals valse zuster en valse vrucht. De laatste term zou volgens hem zijn oorsprong vinden in het feit dat wanneer men erachter kwam dat een jongen of meisje anders was dan de anderen de reactie van de moeder was dat ze het er moeilijk mee zou hebben maar dat de betrokkene altijd haar kind zou blijven. Het woord is echter veel ouder dan we geneigd zijn te denken. Sodomieten gebruikten aan het begin van de achttiende eeuw nigt reeds als codewoord. Tijdens de processen van 1730-1731 raakte het Hof van Friesland geïntrigeerd door het gebruik in homoseksuele kringen van namen zoals nigt; slappe Lijsbet; nigt Petronella; Johanna nigt enz. Volgens de Friese raadsheren ging het om personen die ‘met malcanderen de bekende vuijligheden kwamen bedrijven’. Een Bargoense uitdrukking is: hij komt uit Nigtevecht, wanneer men bedoelt dat iemand homoseksueel is. Met nigten werden vroeger ook jonge vrouwen of meisjes van plezier aangeduid (zie WNT). In het Franse argot wordt de term tante voor een homo gebruikt.

En jammer genoeg krijgt een lelijke nicht
Haast altijd een vrind met een lelijk gezicht. (Jasperina de Jong, Lelijk en mooi. Uit Lureleiprogramma ‘Relderelderel’, 1966)
Geen nichten in m’n harem. (Hans Plomp, Brigadier Snuf rookt stuff, 1972)
De smeerlap. De gore nicht. (Hannes Meinkema, Het wil nog maar niet zomeren, 1975)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

nicht ‘dochter van broer, zus, oom of tante’ -> Fries nuft ‘dochter van broer, zus, oom of tante’; Zuid-Afrikaans-Engels niggie ‘dochter van broer, zus, oom of tante’ ; Ambons-Maleis nihi, nikht ‘dochter van broer, zus, oom of tante’; Chinees-Maleis nèkht ‘dochter van broer, zus, oom of tante’; Creools-Portugees (Ceylon) nighi ‘dochter van broer, zus, oom of tante’; Negerhollands nechi, nechtje, negje ‘dochter van broer, zus, oom of tante’; Sranantongo nicht ‘dochter van broer, zus, oom of tante’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

nicht* dochter van broer, zus, oom of tante 1220-1240 [CG II1 Aiol]

nicht* mannelijke homoseksueel 1970 [Recht voor raap]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1119. Hij meent dat keizers kat zijn nicht is.

In de 18de eeuw aangetroffen bij Tuinman II, 56: ‘Zy meent dat 's Keizers kat haare nicht is. Dit zegt men schertzende van eene, die zich belachelyk laat voorstaan, dat zy voor wat groots moet aangezien worden’; Wolff en Deken, Willem Leevend I, 257: Nu beelt gy UE. magtig wat in en denkt, dat 's keizers kat jen nigt is, en och heer! het biest kent je niet eens; Adagia, 33: Hy meynt dat Keysers kat syn nichte is, omnes prae se contemnit; Van Eijk II, 50; Harreb. I, 387; Nkr. III, 1 Aug. p. 2: Die heeren voeren 'n toontje alsof keizers kat hun nicht is. De zegswijze is ook algemeen in Zuid-Nederland bekend; zie Antw. Idiot. 626: Meenen dat 's keizers kat uw nicht is, zich veel laten voorstaan, trotsch zijn; Rutten, 108; De Bo, 498: Zou men niet zeggen dat keizers kat zijne nicht is, en 't en is geen vriend, zegt men van eenen trotschaard; Teirl. II, 115; Ndl. Wdb. IX, 1931; VII, 1793.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut